❤️Yby — De Vleugels die Niemand Kon Breken✨
Van straatkind tot groot kunstenaar, componiste en schepper van werelden
Een waar levensverhaal over liefde, vrijheid, overleven en de ontembare kracht van creatie.
DEEL 6 — HET GEHEIM VAN DE ZWARTE VEER
Soms vraag ik mij af op welk moment een mens werkelijk verandert. Is dat na een ingrijpende gebeurtenis, een groot verlies of een ontmoeting die je leven op zijn kop zet? Of gebeurt het juist ongemerkt, terwijl je denkt dat alles nog precies hetzelfde is? Ik heb daar in mijn leven vaak over nagedacht. Als arts was ik gewend veranderingen op te merken, verbanden te zoeken en verklaringen te vinden. Maar mijn lieve Yby heeft mij iets geleerd wat in geen enkel medisch studieboek stond: soms verandert je hele wereld doordat iemand je laat zien hoe je opnieuw moet kijken.
In de weken na haar vertrek begon ik te ontdekken hoeveel van die verandering zich al in mij had voltrokken. Mijn tuin had zijn vertrouwde ritme hervonden. De kruiden groeiden, de bijen bezochten de bloemen en tussen de oude bomen speelde de wind met de bladeren. Alles ging verder zoals het altijd had gedaan. Toch bleef ik vaker stilstaan, alsof ik opnieuw moest kennismaken met een plek waar ik al jarenlang woonde. Soms boog ik mij over een bloem en ontdekte ik een kleur die mij nooit eerder was opgevallen. Een andere keer volgde ik een vogel met mijn ogen tot hij tussen de takken verdween. Dan dacht ik aan Yby. Niet met het verdriet van iemand die uitsluitend terugverlangt naar wat voorbij is, maar met een groeiende verwondering over alles wat zij in mijn leven had achtergelaten.
Ik was nog altijd herstellende van de uitputting die mijn jaren als arts mij hadden gebracht. Het was een vreemde ervaring geweest om te merken dat juist mijn eigen lichaam niet langer bereid was te luisteren naar de verstandige adviezen waarmee ik anderen zo vaak had geholpen. Er waren dagen geweest waarop zelfs mijn geliefde schilderkunst mij nauwelijks nog plezier gaf. Mijn tuin onderhouden deed ik bijna uit gewoonte, zonder werkelijk te genieten van de schoonheid die mij omringde. Maar langzaam kwam daar verandering in. Ik merkte dat ik weer nieuwsgierig werd, weer plezier kreeg in gewone bezigheden en vooral opnieuw de rust vond om nergens naartoe te hoeven. Dat was iets wat ik lange tijd niet meer had gekend.
En toen begon ik ook nog met mijn planten te praten. Aanvankelijk gebeurde dat bijna ongemerkt. Ik begroette een roos die haar eerste bloem had geopend, vertelde de lavendel hoe heerlijk hij rook en bleef soms met mijn hand tegen de stam van een boom staan, eenvoudig omdat ik daar graag even wilde zijn. Ik had Yby dat zo vaak zien doen. Voor haar was het nooit vreemd geweest om met de natuur te spreken. Zij voelde zich met alles verbonden, van de kleinste bloem tot de grootste boom, van dieren en stenen tot water, wind en aarde. Zelfs voorwerpen die de meeste mensen zonder nadenken gebruiken, bezaten voor haar een ziel. Een houten tafel, een oude deur of een eenvoudige deurklink behoorde net zo goed tot die bezielde wereld waarin zij zich thuis voelde.
Ik herinner mij nog hoe Yby mij eens met de oude beuk zag praten. Ze bleef staan, keek van mij naar de boom en kreeg die prachtige, ondeugende glinstering in haar ogen. "Pas op, Aurora, straks verandert die beuk in een trol en neemt hij je mee naar zijn grot!" Ik begon zo te lachen dat ik mijn gesprek met de boom onmiddellijk vergat. Yby kon zulke dingen met een volkomen ernstig gezicht zeggen, alsof zij mij eenvoudig op een gevaar wees dat ik in mijn onwetendheid over het hoofd had gezien. Het was precies die vanzelfsprekende humor die ik zo heerlijk aan haar vond. Sindsdien hoefde ik die beuk maar te zien of ik herinnerde mij haar lach. En wanneer ik tegenwoordig langs een bijzonder oude boom loop, denk ik soms nog altijd aan haar waarschuwing. Een mens kan tenslotte niet voorzichtig genoeg zijn.
Haar wereld was groot, veel groter dan de wereld waarin ik mij vroeger gewoonlijk had bewogen. Ze vertelde mij over elfen, feeën en andere bijzondere wezens die zij in de natuur waarnam. In haar schilderingen verschenen zij tussen bloemen en bomen, soms met tere vleugels, soms met wonderlijke ogen of vormen die ik nergens anders ooit had gezien. Wat mij fascineerde, was dat haar werk zich nooit in één oogopslag liet kennen. Ik kon lang naar een schilderij kijken en plotseling een gezicht ontdekken dat mij eerder was ontgaan. Soms bleek een lijn die bij een bloem leek te horen, tegelijkertijd de omtrek van een dier te vormen. En hoe vaker ik keek, hoe meer er tevoorschijn kwam.
Yby had dat opmerkelijke vermogen niet alleen wanneer zij schilderde. Zij zag dingen die anderen eenvoudigweg niet opmerkten. Kleine veranderingen in haar omgeving, bewegingen die nauwelijks zichtbaar waren, verbanden die voor anderen verborgen bleven. Soms begreep zij al wat er gebeurde terwijl mensen om haar heen nog naar een verklaring zochten. Tegen de tijd dat zij ontdekten wat Yby allang had gezien, was het beslissende ogenblik dikwijls voorbij. Ik kende haar daarin vanaf onze vroegste ontmoetingen. Het verbaasde mij nooit wanneer zij iets opmerkte wat mij was ontgaan. Ik had geleerd goed naar haar te luisteren.
Ik noemde Yby dan ook regelmatig havik. Die naam paste bij haar scherpe blik en bij de vrijheid die zo wezenlijk tot haar karakter behoorde. Wanneer ik aan een havik dacht, zag ik een vogel die hoog boven het landschap zweefde, maar toch de kleinste beweging beneden kon opmerken. Zo kende ik Yby ook. Later ontdekte ik in een boek over aarde-astrologie, een modern systeem geïnspireerd op het medicijnwiel, dat de Red Hawk bij haar geboortedatum van 11 april hoort. Ik moest glimlachen om die bijzondere overeenkomst. De havik was voor mij allang met haar verbonden. Ik had alleen maar naar haar hoeven kijken om te begrijpen waarom.
Toch was het niet uitsluitend haar scherpe waarnemingsvermogen dat mij zo raakte. Het was vooral de vanzelfsprekendheid waarmee zij zich één voelde met de wereld om haar heen. De natuur was haar thuis, de plaats waar zij volledig zichzelf kon zijn. En zij was ook haar grootste inspiratiebron. Alles wat zij ontdekte, kon een plaats vinden in haar schilderkunst: het licht tussen de bladeren, de vorm van een steen, de kleuren van een vogel, de beweging van water of een wezen dat voor andere ogen verborgen bleef. Zij hoefde die verbondenheid niet eerst te bedenken voordat zij ging schilderen. Ze maakte vanaf haar geboorte deel uit van wie zij was.
Wanneer ik nu naar de volwassen Yby kijk, herken ik diezelfde scheppingskracht. Zij is inmiddels een internationaal werkende kunstenares, artiest en componiste, met een leven en een oeuvre die zich in vele richtingen hebben ontwikkeld. Zij heeft haar kennis van de natuur voortdurend verdiept en haar eigen mogelijkheden op allerlei gebieden uitgebreid. Toch is de bron waaruit zij schept dezelfde gebleven. In haar schilderkunst en muziek leeft de wereld die zij als kind al in zich droeg. Een wereld vol kleuren, klanken en bezieling, waarin niets vanzelfsprekend levenloos is en ieder wezen zijn eigen plaats heeft.
Maar die ochtend, lang geleden, was zij nog altijd onderweg met Asta. Ik wist niet waar zij zich bevonden en kon slechts hopen dat zij een veilige plaats hadden gevonden om te rusten. Soms overviel mij de bezorgdheid zo plotseling dat ik midden in mijn bezigheden bleef staan. Dan vroeg ik mij af of zij voldoende te eten hadden, of het 's nachts niet te koud was en of er niemand was die hun kwaad wilde doen. Hoe zelfstandig Yby ook was, zij bleef een jong meisje dat een bestaan leidde vol gevaren. Ik had haar graag dicht bij mij gehouden, al wist ik dat ik daarmee vooral mijn eigen bezorgdheid zou proberen te verzachten.
Die ochtend was ik vroeg opgestaan. De lucht was koel en de dauw lag nog over de bladeren. Er hing een heerlijke geur van vochtige aarde in de tuin, vermengd met de zachte geur van bloemen. Ik liep zonder haast over het pad en bleef staan bij mijn magnoliaboom. Het was een prachtige boom, met stevige takken en bladeren die in het ochtendlicht een zachte glans kregen. In het voorjaar kon hij zo uitbundig bloeien dat ik soms nauwelijks wist waar ik het eerst moest kijken. Yby was dol op magnolia's. Zij had mij eens verteld dat de boom voor haar reinheid en puurheid vertegenwoordigde. Sindsdien had ik altijd iets van haar aanwezigheid gevoeld wanneer ik erlangs liep.
Ik streek voorzichtig met mijn vingers langs een tak. Een paar dauwdruppels vielen op mijn hand en ergens boven mij hoorde ik het geritsel van bladeren. Ik was van plan verder te lopen toen iets donkers tussen het gras mijn aandacht trok. Aanvankelijk dacht ik dat er een blad was gevallen, maar toen ik dichterbij kwam, zag ik dat het een veer was. Ik bukte en raapte hem voorzichtig op. Het scherpe uiteinde prikte even in mijn vinger, maar vrijwel onmiddellijk werd mijn aandacht getrokken door de buitengewone glans.
Het was een prachtige zwarte kraaienveer. Ik hield hem tegen het ochtendlicht en draaide hem langzaam tussen mijn vingers. Bij iedere beweging veranderden de kleuren. Het diepe zwart werd blauw, vervolgens groen, om een ogenblik later weer in het donker te verdwijnen. De fijne lijnen leken het licht op te vangen en telkens op een andere manier terug te geven. Ik bleef er verwonderd naar kijken. Wat was de natuur toch een ongelooflijke kunstenares. En terwijl ik die schitterende kleuren bewonderde, moest ik onmiddellijk aan Yby denken. Als er één schilderes was die deze schoonheid op een doek kon vangen, dan was zij het.
Want Yby schilderde niet eenvoudig wat zij zag. Zij keek verder, dieper, met een aandacht die de meeste mensen zelden opbrengen. Waar een ander misschien slechts een zwarte veer zou zien, ontdekte zij het verborgen kleurenspel, de verfijnde lijnen en de beweging van het licht. Ik kende haar schilderkunst inmiddels goed genoeg om te weten hoe bijzonder zij zulke ontdekkingen wist vast te leggen. De natuur was voor haar geen onderwerp dat zij van een afstand bestudeerde, maar een levende wereld waarvan zij zelf deel uitmaakte. Wanneer zij schilderde, leek zij iets zichtbaar te maken wat altijd al aanwezig was geweest, maar waarvoor de meeste mensen nooit de tijd hadden genomen om werkelijk te kijken.
Misschien was dat ook de reden waarom haar schilderijen mij telkens opnieuw konden ontroeren. Ieder werk bezat een eigen ziel. Niet doordat zij er met zoveel woorden een betekenis aan had gegeven, maar doordat die bezieling in alles voelbaar was. Er leefde iets tussen haar kleuren en penseelstreken dat zich niet eenvoudig liet verklaren. Soms ontdekte ik een paar ogen die mij onverwacht leken aan te kijken, een gezicht dat uit een wirwar van lijnen tevoorschijn kwam of een wonderlijk wezen dat ik een ogenblik eerder nog niet had gezien. Ik kon naar hetzelfde schilderij terugkeren en er telkens iets nieuws in ontdekken. Haar werk bleef zich als het ware aan mij openbaren.
Ik draaide de veer nog eens tussen mijn vingers en dacht aan de houten tafel in mijn atelier, waarop zoveel schilderijen waren ontstaan. Yby had ook daarin een ziel gezien. Het hout had ooit deel uitgemaakt van een boom, had zon en regen gekend en was vervolgens door mensenhanden veranderd in iets wat een plaats in ons dagelijks leven kreeg. Zelfs een eenvoudige deurklink droeg voor haar een eigen aanwezigheid, hoe achteloos de meeste mensen die ook vastpakten. Ik had mij vroeger nauwelijks met zulke gedachten beziggehouden. Een tafel was een tafel, een deurklink diende om een deur te openen. Maar sinds ik Yby kende, kon ik naar die gewone dingen kijken zonder dat zij nog helemaal gewoon waren.
Ik bracht de veer dichter bij mijn gezicht en bekeek de glanzende kleuren opnieuw. Wat zou Yby hier iets prachtigs van kunnen maken. Ik stelde mij voor hoe zij de zachte overgang van zwart naar blauw en groen zou schilderen, hoe zij het licht zou laten bewegen en misschien nog veel meer zou ontdekken dan ik op dat ogenblik zag. Ik verlangde er plotseling naar haar de veer te laten zien. Niet alleen om samen die schoonheid te bewonderen, maar vooral omdat ik benieuwd was wat haar scherpe haviksogen erin zouden vinden.
En natuurlijk dacht ik aan de kraaien die zo'n bijzondere plaats in haar leven innamen. Wat had ik die prachtige zwarte vogels al vaak in haar nabijheid gezien. Zij verschenen regelmatig waar Yby verbleef, en ik had zelf meegemaakt hoe aandachtig zij hun gedrag volgde. De kraaien beschermden haar en waarschuwden haar voor gevaar. Ik kende die bijzondere band niet uitsluitend uit haar verhalen. Ik had de vogels zelf om haar heen gezien, hun oplettendheid opgemerkt en waargenomen hoe Yby op hun signalen reageerde. Hoe die verbondenheid precies werkte, kon ik niet in een eenvoudige verklaring onderbrengen. Maar wat ik met mijn eigen ogen had gezien, hoefde ik niet terzijde te schuiven omdat ik er geen sluitend antwoord op had.
Ook in mijn eigen tuin waren steeds vaker kraaien verschenen. Ik begon mij in hun gedrag te verdiepen en ontdekte hoe buitengewoon intelligent deze vogels zijn. Ze herkennen gezichten, onthouden gebeurtenissen en kunnen ingewikkelde problemen oplossen. Maar wat mij vooral fascineerde, was hun aandacht voor alles wat om hen heen gebeurde. Wanneer ik een kraai hoog in een boom zag zitten, zijn donkere ogen op de omgeving gericht, dacht ik dikwijls aan Yby. Haar opmerkzaamheid, haar liefde voor de natuur en de vanzelfsprekende manier waarop zij contact met dieren maakte, kwamen dan weer in mijn gedachten.
Ik keek omhoog. In de verte klonk de roep van een kraai, gevolgd door het geluid van vleugels tussen de takken. Een ogenblik stond ik stil, de glanzende veer nog altijd tussen mijn vingers. Ik voelde een merkwaardige warmte vanbinnen, alsof iets van Yby's wereld voor een ogenblik heel dichtbij was gekomen. Ik kon mij haar gezicht bijna voorstellen wanneer ik haar de veer zou laten zien. Misschien zou zij glimlachen, misschien iets zeggen wat mij opnieuw aan het lachen bracht. Het gemis was er plotseling zo sterk dat ik mijn ogen even sloot. Wat had ik haar graag naast mij gehad.
Ik besloot de veer mee te nemen naar mijn atelier. Op mijn werktafel lag nog een schets die ik eerder van Yby had gemaakt. Ik legde de veer ernaast en bleef een tijdlang naar haar getekende gezicht kijken. De vorm van haar ogen, haar levendige uitstraling en die bijzondere combinatie van zachtheid en vastberadenheid die ik inmiddels zo goed kende. Het was een herkenbare schets, maar ik voelde dat ik iets anders wilde schilderen. Niet alleen haar uiterlijk. Ik wilde iets van haar innerlijke wereld zichtbaar maken, iets van de vrijheid waarmee zij leefde en de verbondenheid die zij met alles om zich heen voelde.
Ik pakte een leeg doek en zette het op mijn ezel. Een tijdje stond ik ervoor zonder te beginnen. Hoe schilder je iemand die in alles een ziel ziet? Hoe geef je vorm aan een wereld waarin een bloem, een steen en een vogel allemaal hun eigen plaats hebben? En hoe schilder je een meisje dat zoveel meer waarneemt dan wat voor de meeste mensen zichtbaar is? Ik stond met mijn penseel in mijn hand naar het witte doek te kijken en merkte dat ik opnieuw in mijn oude gewoonte verviel. Eerst nadenken, alles overwegen en pas beginnen wanneer ik zeker wist wat ik wilde maken.
Toen hoorde ik in mijn gedachten opnieuw Yby's stem. "Of je nu schrijft, schildert of zingt, Aurora, het bevrijdt je ziel." Dat had zij mij vaker gezegd. Ik glimlachte. Zij zou waarschijnlijk allang begonnen zijn, terwijl ik nog stond te bedenken welke kleur het meest geschikt was. En ineens voelde ik hoe onbelangrijk die aarzeling eigenlijk was. Ik hoefde niet te proberen te schilderen zoals Yby. Haar werk kwam uit haar eigen wereld voort. Het mijne mocht uit de mijne ontstaan.
Ik koos diepblauw, de kleur van de nachtelijke hemel. Daarna volgden warm goud, levendig roze, helder rood en verschillende tinten groen. Ik liet de kleuren langzaam over het doek bewegen. Soms mengden zij zich vanzelf, soms ontstond er iets wat ik niet had voorzien. Ik probeerde niet voortdurend te bepalen wat het moest worden. Er verschenen sterren, bloemen en vormen die mij deden denken aan de bijzondere werelden die Yby schilderde. Daarna kwamen de vogels, met hun krachtige, uitgespreide vleugels. Kraaien die door een hemel vol kleuren bewogen, vrij en vol leven.
In het midden ontstond langzaam Yby's gestalte. Niet precies zoals zij eruitzag, maar zoals ik haar voelde. Een stralend wezen, omringd door kraaien en sterren, verbonden met de aarde en de levende wereld waarvan zij zo intens hield. Ik schilderde haar niet als iemand die buiten de natuur stond, maar als een wezen dat er volledig deel van uitmaakte. De kleuren bewogen om haar heen en leken elkaar op een vanzelfsprekende manier te vinden. Af en toe keek ik naar de veer die naast mijn penselen lag. De blauwgroene glans gaf mij telkens weer nieuwe ideeën voor het licht en de kleuren op mijn doek.
Ik schilderde urenlang. Mijn thee werd koud en de zon schoof langzaam langs het raam van mijn atelier. Toch merkte ik nauwelijks hoeveel tijd er verstreek. Ik was volledig opgegaan in mijn werk. Er waren geen verplichtingen die mijn aandacht opeisten, geen ingewikkelde problemen die onmiddellijk moesten worden opgelost. Alleen het schilderij, mijn penselen en de herinneringen die tijdens het werken vanzelf naar boven kwamen. Ik dacht aan de middagen onder de oude eik, aan Asta die rustig in de schaduw lag en aan de momenten waarop Yby en ik zo heerlijk samen hadden kunnen schilderen zonder voortdurend iets te hoeven zeggen.
Af en toe deed ik een paar stappen achteruit om het resultaat te bekijken. Dan voegde ik een kleur toe of veranderde ik een lijn. Ik werkte niet zoals vroeger, met de voortdurende angst dat iets verkeerd zou gaan. Ik liet het schilderij ontstaan en merkte hoe heerlijk die vrijheid voelde. Er was iets in mij wakker geworden wat ik lange tijd nauwelijks had gevoeld. Het plezier om iets te maken zonder dat het ergens aan moest voldoen. De vreugde van kleuren die elkaar op het doek ontmoetten, van vormen die langzaam zichtbaar werden en van de verwondering wanneer er iets ontstond wat ik zelf niet helemaal had voorzien.
Toen ik uiteindelijk mijn penseel neerlegde, bleef ik lange tijd naar het schilderij kijken. Mijn ogen werden vochtig. Niet omdat het technisch mijn beste werk was, maar omdat er iets in was verschenen wat ik zelf niet helemaal had verwacht. Ik had geprobeerd Yby te schilderen, maar er was ook iets van mijzelf op het doek terechtgekomen. Mijn eigen verlangen naar vrijheid, mijn behoefte aan rust en de vreugde die ik langzaam in mijn leven terugvond. Ik had zoveel jaren onder spanning geleefd, zoveel verantwoordelijkheden gedragen en zo weinig tijd genomen om eenvoudig te genieten. En nu stond ik daar, met verf aan mijn vingers en een schilderij voor mij dat mij werkelijk ontroerde.
Ik ging zitten en keek naar de zwarte kraaienveer naast mijn penselen. Vroeger had ik hem misschien even bewonderd en daarna weer tussen het gras gelegd. Maar inmiddels had Yby mij geleerd dat niets in de natuur zo vanzelfsprekend is als het lijkt. Juist op een ochtend waarop ik haar zo miste, had ik deze prachtige veer gevonden, onder de magnolia waarvan zij zoveel hield. De wonderlijke kleuren hadden mij naar mijn atelier geleid, mijn verbeelding gewekt en iets in mij wakker gemaakt wat ik bijna verloren waande. Ik had weer geschilderd, met een vreugde die ik in lange tijd niet zo intens had gevoeld. En terwijl ik daar zat, begon ik te begrijpen dat sommige dingen niet zomaar op ons pad komen. Soms verschijnt er iets in je leven op precies het ogenblik waarop je het nodig hebt, zonder dat je op dat moment al begrijpt waarom. Een klein geschenk van de natuur, een stille boodschap, een onverwachte ontmoeting die iets diep vanbinnen in beweging brengt. Voor mij was die veer dat allemaal geworden. Ik keek naar het schilderij en voelde hoe dichtbij Yby mij die dag was geweest, ondanks de afstand tussen ons. Hoe bijzonder was het toch dat iemand, zelfs wanneer zij er niet was, zoveel schoonheid in mijn leven kon brengen.
Er zijn mensen van wie ik ontzettend veel heb gehouden en die ik inmiddels moet missen. Mensen wier stemmen ik soms nog bijna kan horen wanneer ik aan hen denk. Een bepaalde geur, een liedje of een klein voorwerp kan mij ineens terugbrengen naar een tijd die voorgoed voorbij is. Dan komt het gemis soms zo onverwacht dat ik er even stil van word. Ik heb in mijn leven prachtige liefde gekend, maar ook verdriet dat mij diep heeft geraakt. En ik weet dat het een niet zonder meer verdwijnt wanneer het ander zich aandient. Je kunt na een groot verlies weer genieten van het leven en tegelijkertijd iemand nog iedere dag missen.
Misschien is dat wel een van de moeilijkste dingen die wij als mensen moeten leren: dat liefde niet ophoudt op het moment waarop wij iemand moeten loslaten. De aanwezigheid van een dierbare verandert, maar de herinneringen blijven. Ik heb het zelf meegemaakt. Er zijn dagen waarop ik iemand ontzettend mis en toch kan genieten van een prachtige wandeling, een heerlijk gesprek of iets grappigs wat Yby mij vertelt. Soms moet ik lachen terwijl ik kort daarvoor nog tranen in mijn ogen had. En inmiddels weet ik dat daar niets tegenstrijdigs aan is. Ons hart kan verdriet dragen en tegelijkertijd ruimte houden voor vreugde.
Ik dacht aan Yby en aan alles wat zij in haar leven al had meegemaakt. Er waren dingen die ik haar met heel mijn hart had willen besparen. Als vriendin had ik haar soms het liefst tegen alles willen beschermen. Maar ik wist ook hoe belangrijk het was haar werkelijk te blijven zien, niet uitsluitend als het meisje dat op straat leefde of als iemand die verschrikkelijke dingen had meegemaakt. Zij was zoveel meer. Een geboren kunstenares, een natuurwezen, een meisje met een ongelooflijke scheppingskracht en een hart dat zich diep met alles wat leefde verbonden voelde.
Wanneer ik haar tegenwoordig samen met Ellen zie, denk ik nog vaak aan die vroegere jaren. Wat ben ik gelukkig dat zij nu een leven heeft waarin zoveel liefde, vrijheid en creativiteit een plaats hebben. Zij schildert, componeert, verzorgt haar dieren en blijft zich verdiepen in de natuur. Ze heeft een enorme hoeveelheid kennis opgebouwd en ontdekt nog altijd nieuwe dingen. Wat vind ik het prachtig om te zien hoe zij haar eigen weg blijft volgen, zonder haar bijzondere karakter of haar liefde voor Moeder Aarde op te geven. En wat ben ik blij dat Ellen haar daarin met zoveel liefde terzijde staat.
Toch was die toekomst op de ochtend waarop ik de veer vond nog helemaal niet zichtbaar. Ik wist niet welke gebeurtenissen er voor Yby zouden volgen, waar zij allemaal terecht zou komen en hoeveel wij later nog samen zouden beleven. Op dat ogenblik was er alleen mijn atelier, het schilderij dat langzaam droogde en de prachtige zwarte veer die onder mijn magnoliaboom had gelegen.
Ik pakte hem opnieuw op en hield hem tegen het licht. De blauwgroene glans verscheen nog altijd even prachtig. Ik draaide hem langzaam tussen mijn vingers en verwonderde mij opnieuw over de verfijnde lijnen en kleuren. Er lag iets bijzonders in de manier waarop de veer vanuit iedere hoek een beetje anders leek. Soms zag ik vrijwel uitsluitend het zwart, dan weer verschenen er kleuren die ik een ogenblik daarvoor nauwelijks had kunnen onderscheiden.
Ik bleef er lang naar kijken. Misschien omdat die veer mij zo sterk aan Yby herinnerde. Misschien omdat ik er de schoonheid in herkende die zij mij overal had leren ontdekken. En misschien ook omdat ik diep vanbinnen voelde dat dit kleine voorwerp een bijzondere plaats in mijn leven zou krijgen. Ik wist niet waarom. Het was geen gedachte die zich gemakkelijk liet verklaren. Maar ik had inmiddels geleerd dat niet iedere ervaring onmiddellijk in woorden hoefde te worden gevangen.
Ik legde de veer voorzichtig op een veilige plaats in mijn atelier, waar hij niet tussen mijn penselen en papieren verloren zou raken. Daarna keek ik nog eenmaal naar het schilderij. De kraaien zweefden tussen de sterren, omringd door kleuren die mij aan Yby's bijzondere wereld deden denken. Ik voelde een zachte rust over mij komen. Voor het eerst sinds haar vertrek had ik een hele dag kunnen schilderen zonder mij voortdurend door zorgen te laten afleiden. Ik was moe, maar het was een heerlijke vermoeidheid, zoals je die kunt voelen na een dag waarop je helemaal bent opgegaan in iets wat je liefhebt.
Tegen de avond liep ik naar het raam. Buiten werd de tuin langzaam donker. De silhouetten van de bomen tekenden zich af tegen de hemel en ergens in de verte klonk opnieuw de roep van een kraai. Ik dacht aan Yby en Asta, ergens onderweg, en wenste hun in stilte een veilige nacht. Hoe graag had ik haar even gezien, haar stem gehoord en geweten dat alles goed met hen ging. Maar ik wist dat zij haar eigen weg volgde en dat ik haar niet tegen zichzelf moest proberen te beschermen door haar vrijheid af te nemen.
Ik bleef een tijdje naar de sterren kijken. De avondlucht voelde koel aan en de laatste vogels hadden hun slaapplaatsen opgezocht. Er was iets geruststellends aan de stilte van mijn tuin. De bomen stonden daar, net als alle dagen ervoor, en toch leek alles mij op dat ogenblik een beetje dichterbij. Ik dacht aan de oude beuk, aan onze gesprekken onder de eik en aan de magnolia waaronder ik die ochtend de prachtige veer had gevonden. Wat was er in betrekkelijk korte tijd toch ontzettend veel veranderd.
Plotseling trok er een heldere streep langs de donkere hemel. Een vallende ster. Ik volgde het licht totdat het verdween en sloot even mijn ogen. "Yby, waar je ook bent, weet dat ik van je hou," fluisterde ik. Daarna bleef ik nog een ogenblik bij het raam staan. Ik wist niet wanneer ik haar weer zou zien, maar ik voelde hoe dierbaar onze vriendschap inmiddels voor mij was geworden.
Achter mij stond het schilderij te drogen. De zwarte veer lag veilig op mijn werktafel. Ik had die ochtend niet gezocht naar een bijzonder teken of een antwoord op mijn zorgen. Ik had alleen in mijn tuin gewerkt, zoals ik dat zo vaak deed. En toch had die ene kleine vondst iets in mij wakker gemaakt wat ik lange tijd had gemist. De vreugde om opnieuw te creëren, de rust om naar mijn eigen gevoel te luisteren en de dankbaarheid voor iemand die mij zoveel schoonheid had leren zien.
Later zou ik nog vaak aan die ochtend terugdenken. Er zouden tijden komen waarin ik mij grote zorgen om Yby maakte, waarin ik verlangde naar een bericht of een teken dat het goed met haar ging. Er zouden gebeurtenissen plaatsvinden die ik mij op die vredige ochtend onmogelijk had kunnen voorstellen. Maar zover waren wij nog niet. Voorlopig was er alleen mijn stille atelier, de geur van verf en een prachtige zwarte veer die in het licht alle kleuren van de nacht leek te dragen.
Ik wist toen nog niet hoeveel betekenis die ene veer later voor mij zou krijgen. Maar ik bewaarde hem zorgvuldig, alsof iets in mij al begreep dat ik hem op een dag opnieuw nodig zou hebben.
En gelukkig heb ik hem nooit weggegooid.
Aurora✨
---------------------
ENGLISH
❤️Yby — The Wings No One Could Break✨
From Street Child to Great Artist, Composer, and Creator of Worlds
A True Life Story of Love, Freedom, Survival, and the Indomitable Power of Creation.
PART 6 — THE SECRET OF THE BLACK FEATHER
Sometimes I wonder at what moment a person truly changes. Is it after a life-altering event, a great loss, or an encounter that turns your world upside down? Or does it happen almost unnoticed, while you believe everything is still exactly as it was? I have thought about this often throughout my life. As a physician, I was accustomed to recognising changes, searching for connections, and finding explanations. But my dear Yby taught me something that no medical textbook ever could: sometimes your entire world changes because someone shows you how to see it with new eyes.
In the weeks following her departure, I began to discover just how much of that change had already taken place within me. My garden had settled back into its familiar rhythm. The herbs grew, the bees visited the flowers, and the wind played among the leaves of the old trees. Everything continued as it always had. Yet I found myself stopping more often, as though I were becoming acquainted all over again with a place where I had lived for years. Sometimes I would bend over a flower and discover a colour I had never noticed before. At other times, I would follow a bird with my eyes until it disappeared among the branches. And then I would think of Yby. Not with the sorrow of someone who longs only for what has passed, but with a growing sense of wonder at everything she had left behind in my life.
I was still recovering from the exhaustion that my years as a physician had brought upon me. It had been a strange experience to discover that my own body was no longer willing to listen to the sensible advice I had so often given to others. There had been days when even my beloved painting brought me little pleasure. I tended my garden almost out of habit, without truly enjoying the beauty that surrounded me. But gradually, that began to change. I noticed my curiosity returning, found pleasure once more in ordinary activities, and, above all, rediscovered the peace of not having to be anywhere at all. It was something I had not experienced for a very long time.
And then I began talking to my plants. At first, it happened almost without my noticing. I greeted a rose that had opened its first flower, told the lavender how wonderful it smelled, and sometimes stood with my hand resting against the trunk of a tree, simply because I wanted to stay there for a moment. I had watched Yby do that so many times. For her, speaking with nature had never seemed strange. She felt connected to everything, from the smallest flower to the tallest tree, from animals and stones to water, wind, and earth. Even objects that most people use without a second thought possessed a soul for her. A wooden table, an old door, or an ordinary door handle belonged just as much to that living, soulful world in which she felt at home.
I still remember the day Yby caught me talking to the old beech tree. She stopped, looked from me to the tree, and that wonderful, mischievous sparkle appeared in her eyes. "Be careful, Aurora, or that beech tree might turn into a troll and carry you off to its cave!" I laughed so hard that I immediately forgot what I had been saying to the tree. Yby could say such things with a perfectly serious expression, as though she were simply warning me of a danger I had failed to notice in my ignorance. It was precisely that effortless humour I loved so much about her. Ever since, I have only had to look at that beech tree to remember her laughter. And even today, whenever I pass a particularly ancient tree, I sometimes think of her warning. After all, one can never be too careful.
Her world was vast, far greater than the world I had once been accustomed to inhabiting. She told me about elves, fairies, and other extraordinary beings she perceived in nature. They appeared in her paintings among flowers and trees, sometimes with delicate wings, sometimes with remarkable eyes or shapes unlike anything I had ever seen. What fascinated me was that her work could never be fully understood at a single glance. I could study a painting for a long time and suddenly discover a face I had not noticed before. Sometimes a line that appeared to belong to a flower would also form the outline of an animal. And the more often I looked, the more there was to discover.
Yby possessed that remarkable ability not only when she painted. She noticed things that others simply failed to see. Tiny changes in her surroundings, movements that were barely visible, connections that remained hidden from everyone else. Sometimes she already understood what was happening while the people around her were still searching for an explanation. By the time they finally discovered what Yby had seen long before, the decisive moment had often passed. I had known this about her since our earliest encounters. It never surprised me when she noticed something I had missed. I had learned to listen carefully to her.
I often called Yby a hawk. The name suited her keen gaze and the freedom that was such an essential part of her character. When I thought of a hawk, I pictured a bird soaring high above the landscape, yet still able to detect the slightest movement far below. That was how I knew Yby. Later, I discovered in a book on Earth astrology, a modern system inspired by the medicine wheel, that the Red Hawk corresponds to her birthday, 11 April. I smiled at that remarkable coincidence. The hawk had been connected with Yby in my mind for years. I had only ever needed to look at her to understand why.
Yet it was not merely her extraordinary powers of observation that touched me so deeply. It was, above all, the effortless way in which she felt herself to be one with the world around her. Nature was her home, the place where she could be completely herself. And it was also her greatest source of inspiration. Everything she discovered could find its way into her art: sunlight filtering through leaves, the shape of a stone, the colours of a bird, the movement of water, or a being hidden from other eyes. She did not need to invent that connection before she began to paint. It had been part of her since birth.
When I look at Yby as a grown woman today, I recognise that same creative power. She is now an internationally active painter, artist, and composer, with a life and a body of work that have developed in many different directions. She has continually deepened her knowledge of nature and expanded her abilities in countless ways. Yet the source from which she creates has remained the same. In her paintings and music lives the world she already carried within her as a child. A world full of colours, sounds, and spirit, where nothing is simply lifeless and every being has its own place.
But on that morning, so long ago, she was still travelling with Asta. I did not know where they were and could only hope they had found somewhere safe to rest. Sometimes worry would overcome me so suddenly that I stopped in the middle of whatever I was doing. I would wonder whether they had enough to eat, whether the nights were too cold, or whether someone might wish them harm. However independent Yby was, she was still a young girl living a life filled with danger. I would have loved to keep her close, although I knew that doing so would largely have been an attempt to ease my own anxiety.
I had risen early that morning. The air was cool, and dew still rested upon the leaves. A wonderful scent of damp earth hung in the garden, mingling with the delicate fragrance of flowers. I walked slowly along the path and stopped beside my magnolia tree. It was a magnificent tree, with sturdy branches and leaves that took on a soft sheen in the morning light. In spring, it could blossom so exuberantly that I scarcely knew where to look first. Yby adored magnolias. She had once told me that, to her, the tree represented purity and innocence. Ever since, I had always felt something of her presence whenever I passed it.
I gently brushed my fingers along a branch. A few drops of dew fell onto my hand, and somewhere above me I heard the rustling of leaves. I was about to walk on when something dark in the grass caught my attention. At first, I thought a leaf had fallen, but when I stepped closer, I saw that it was a feather. I bent down and carefully picked it up. Its sharp quill pricked my finger for a moment, but almost immediately my attention was drawn to its extraordinary sheen.
It was a beautiful black crow's feather. I held it up to the morning light and slowly turned it between my fingers. With every movement, its colours changed. The deep black became blue, then green, before disappearing into darkness once more. Its delicate strands seemed to capture the light and reflect it differently with every turn. I gazed at it in wonder. What an extraordinary artist nature was. And as I admired those shimmering colours, my thoughts immediately turned to Yby. If there was one painter who could capture such beauty on a canvas, it was her.
For Yby did not merely paint what she saw. She looked further, deeper, with an attentiveness that most people rarely possess. Where someone else might see nothing more than a black feather, she discovered the hidden interplay of colours, the intricate lines, and the movement of light. I knew her paintings well enough by then to understand how beautifully she could capture such discoveries. Nature was not a subject she studied from a distance, but a living world of which she herself was a part. When she painted, it was as though she made visible something that had always been there, but which most people had never taken the time to truly see.
Perhaps that was also why her paintings could move me again and again. Every work possessed a soul of its own. Not because she had given it some carefully constructed meaning, but because that sense of spirit could be felt throughout it. Something lived among her colours and brushstrokes that could not easily be explained. Sometimes I discovered a pair of eyes that seemed unexpectedly to gaze back at me, a face emerging from a tangle of lines, or a mysterious creature I had not noticed a moment earlier. I could return to the same painting and discover something new every time. Her work seemed to reveal itself to me little by little.
I turned the feather once more between my fingers and thought of the wooden table in my studio, where so many paintings had been created. Yby had seen a soul in that, too. The wood had once been part of a tree, had known sunlight and rain, and had then been transformed by human hands into something that found a place in our everyday lives. Even an ordinary door handle carried its own presence for her, however thoughtlessly most people touched it. I had rarely concerned myself with such ideas in the past. A table was a table, and a door handle existed to open a door. But since knowing Yby, I could no longer look at those ordinary things and find them quite so ordinary.
I brought the feather closer to my face and studied its shimmering colours again. How beautifully Yby could paint something like this. I imagined how she might capture the soft transition from black to blue and green, how she would make the light seem to move, and how she might discover far more than I could see at that moment. Suddenly, I longed to show her the feather. Not only so that we could admire its beauty together, but especially because I was curious to discover what her sharp hawk's eyes would find within it.
And, of course, I thought of the crows that held such a special place in her life. How often I had seen those magnificent black birds near her. They regularly appeared wherever Yby stayed, and I had witnessed for myself how attentively she followed their behaviour. The crows protected her and warned her of danger. I knew of that extraordinary bond not merely from her stories. I had seen the birds around her with my own eyes, noticed their vigilance, and observed how Yby responded to their signals. I could not explain precisely how that connection worked. But I did not have to dismiss what I had witnessed simply because I could not provide a definitive explanation.
Crows had also begun appearing more frequently in my own garden. I started studying their behaviour and discovered just how extraordinarily intelligent these birds are. They recognise faces, remember events, and can solve complicated problems. But what fascinated me most was their awareness of everything happening around them. Whenever I saw a crow perched high in a tree, its dark eyes watching the world below, I often thought of Yby. Her attentiveness, her love of nature, and the effortless way she communicated with animals would return to my thoughts.
I looked up. In the distance came the call of a crow, followed by the sound of wings moving among the branches. For a moment I stood still, the glistening feather still between my fingers. I felt a curious warmth inside me, as though something of Yby's world had come very close for an instant. I could almost picture her face if I were to show her the feather. Perhaps she would smile, perhaps she would say something that made me laugh once again. Suddenly, I missed her so deeply that I closed my eyes for a moment. How I wished she were beside me.
I decided to take the feather into my studio. On my worktable lay a sketch I had made of Yby some time earlier. I placed the feather beside it and spent a while studying her drawn face. The shape of her eyes, her lively expression, and that remarkable combination of gentleness and determination I had come to know so well. It was a recognisable likeness, yet I felt I wanted to paint something different. Not merely her appearance. I wanted to make something of her inner world visible, something of the freedom with which she lived and the connection she felt with everything around her.
I took a blank canvas and placed it on my easel. For a while, I stood before it without beginning. How do you paint someone who sees a soul in everything? How do you give form to a world in which a flower, a stone, and a bird each have their own place? And how do you paint a girl who perceives so much more than what is visible to most people? I stood with my brush in my hand, staring at the white canvas, and realised that I was slipping back into an old habit. First I had to think everything through, consider every possibility, and only begin once I was certain of what I wanted to create.
Then I heard Yby's voice in my thoughts once more. "Whether you write, paint, or sing, Aurora, it sets your soul free." She had said that to me many times. I smiled. She would probably have started long ago, while I was still standing there wondering which colour would be most suitable. And suddenly, I realised how unimportant that hesitation really was. I did not need to try to paint like Yby. Her art came from her own world. Mine was allowed to emerge from my own.
I chose deep blue, the colour of the night sky. Then came warm gold, vivid pink, bright red, and several shades of green. I let the colours move slowly across the canvas. Sometimes they blended of their own accord; sometimes something appeared that I had not anticipated. I stopped trying to decide exactly what it should become. Stars, flowers, and shapes emerged, reminding me of the extraordinary worlds Yby painted. Then came the birds, their powerful wings spread wide. Crows moving through a sky full of colour, free and full of life.
Gradually, Yby's figure emerged at the centre. Not exactly as she looked, but as I felt her to be. A radiant being surrounded by crows and stars, connected to the earth and the living world she loved so deeply. I did not paint her as someone standing apart from nature, but as a being who belonged entirely within it. The colours moved around her and seemed to find one another naturally. Every now and then, I looked at the feather lying beside my brushes. Its blue-green shimmer continually gave me new ideas for the light and colours on my canvas.
I painted for hours. My tea grew cold, and the sun slowly moved across the studio window. Yet I barely noticed how much time had passed. I was completely absorbed in my work. There were no obligations demanding my attention, no complicated problems that needed to be solved immediately. Only the painting, my brushes, and the memories that surfaced naturally as I worked. I thought of the afternoons beneath the old oak tree, of Asta resting peacefully in the shade, and of those wonderful moments when Yby and I could paint together without feeling any need to speak.
Every now and then, I took a few steps back to study the result. Then I would add a colour or change a line. I was no longer working as I once had, with the constant fear of doing something wrong. I allowed the painting to take shape and discovered how wonderful that freedom felt. Something had awakened within me that I had scarcely felt for a very long time. The pleasure of creating something without having to meet anyone's expectations. The joy of colours meeting on the canvas, of shapes gradually becoming visible, and of the wonder that arose when something appeared that I had not entirely foreseen.
When I finally put down my brush, I stood looking at the painting for a long time. My eyes filled with tears. Not because it was technically my finest work, but because something had appeared within it that I had not entirely expected. I had tried to paint Yby, but something of myself had found its way onto the canvas as well. My own longing for freedom, my need for peace, and the joy I was gradually rediscovering in my life. I had spent so many years under pressure, carried so many responsibilities, and allowed myself so little time simply to enjoy being alive. And now I stood there, paint on my fingers, looking at a painting that genuinely moved me.
I sat down and looked at the black crow's feather beside my brushes. In the past, I might have admired it for a moment and then laid it back among the grass. But Yby had taught me that nothing in nature is ever quite as ordinary as it seems. On a morning when I missed her so deeply, I had found this beautiful feather beneath the magnolia she loved so much. Its extraordinary colours had led me into my studio, awakened my imagination, and stirred something within me that I had almost lost. I had painted again, with a joy I had not felt so intensely for a very long time. And as I sat there, I began to understand that some things do not come into our lives by chance. Sometimes something appears at precisely the moment we need it, even though we may not yet understand why. A small gift from nature, a silent message, an unexpected encounter that sets something deep within us in motion. For me, that feather had become all those things. I looked at the painting and felt how close Yby had been to me that day, despite the distance between us. How extraordinary it was that someone could bring so much beauty into my life, even when she was not there.
There are people I have loved beyond measure whom I must now live without. People whose voices I can sometimes almost hear when I think of them. A particular scent, a song, or a small object can suddenly carry me back to a time that is gone forever. Then the sense of loss returns so unexpectedly that I fall silent for a moment. I have known beautiful love in my life, but also sorrow that has touched me deeply. And I know that one does not simply disappear when the other arrives. You can find joy in life again after a great loss and still miss someone every single day.
Perhaps that is one of the hardest things we must learn as human beings: love does not end at the moment we have to let someone go. The presence of a loved one changes, but the memories remain. I have experienced it myself. There are days when I miss someone terribly and can still enjoy a beautiful walk, a wonderful conversation, or something amusing Yby tells me. Sometimes I laugh even though there were tears in my eyes only moments before. And by now, I know there is no contradiction in that. Our hearts can carry sorrow and still have room for joy.
I thought of Yby and everything she had already experienced in her life. There were things I would have spared her with all my heart. As her friend, I had sometimes wanted nothing more than to protect her from everything. But I also knew how important it was to continue seeing her as the whole person she was, not merely as the girl who lived on the streets or someone who had endured terrible experiences. She was so much more. A born artist, a child of nature, a girl with an extraordinary creative power and a heart that felt deeply connected to everything alive.
When I see her with Ellen today, I often think back to those early years. How happy I am that she now has a life in which love, freedom, and creativity have such an important place. She paints, composes, cares for her animals, and continues to explore the natural world. She has accumulated an extraordinary wealth of knowledge and is still discovering new things. How wonderful it is to see her continuing to follow her own path without surrendering her remarkable character or her love for Mother Earth. And how glad I am that Ellen stands beside her with such devotion.
Yet none of that future was visible on the morning I found the feather. I did not know what events lay ahead for Yby, where her journey would take her, or how much we would share in the years to come. At that moment, there was only my studio, the painting slowly drying, and the beautiful black feather that had been lying beneath my magnolia tree.
I picked it up again and held it towards the light. The blue-green shimmer appeared as beautifully as ever. I slowly turned it between my fingers, once more marvelling at its delicate lines and colours. There was something extraordinary about the way the feather seemed slightly different from every angle. Sometimes I saw almost nothing but black; at other times, colours appeared that I had barely been able to distinguish a moment earlier.
I gazed at it for a long time. Perhaps because the feather reminded me so strongly of Yby. Perhaps because I recognised in it the beauty she had taught me to discover everywhere. And perhaps also because, somewhere deep within, I felt that this small object would come to hold a special place in my life. I did not know why. It was not a thought I could easily explain. But I had learned by then that not every experience needed to be captured in words immediately.
I carefully placed the feather somewhere safe in my studio, where it would not become lost among my brushes and papers. Then I looked once more at the painting. The crows soared among the stars, surrounded by colours that reminded me of Yby's extraordinary world. A gentle peace settled over me. For the first time since her departure, I had spent an entire day painting without allowing my worries to distract me constantly. I was tired, but it was a wonderful kind of tiredness, the feeling that comes after a day spent completely immersed in something you love.
Towards evening, I walked to the window. Outside, the garden was slowly growing dark. The silhouettes of the trees stood out against the sky, and somewhere in the distance came another crow's call. I thought of Yby and Asta, somewhere on their journey, and silently wished them a safe night. How I longed to see her for a moment, to hear her voice, and to know that everything was all right with them. But I knew she was following her own path, and that I must not try to protect her from herself by taking away her freedom.
I stood gazing at the stars for a while. The evening air was cool, and the last birds had found their places to sleep. There was something comforting about the stillness of my garden. The trees stood there as they had every day before, and yet, at that moment, everything seemed a little closer to me. I thought of the old beech tree, our conversations beneath the oak, and the magnolia where I had found that beautiful feather in the morning. How much had changed in such a relatively short time.
Suddenly, a bright streak of light crossed the dark sky. A shooting star. I followed it until the light disappeared, then closed my eyes for a moment. "Yby, wherever you are, know that I love you," I whispered. Afterwards, I remained by the window for a little while longer. I did not know when I would see her again, but I felt how precious our friendship had already become to me.
Behind me, the painting stood drying. The black feather lay safely on my worktable. I had not gone searching that morning for a special sign or an answer to my worries. I had simply been working in my garden, as I so often did. And yet that single discovery had awakened something within me that I had missed for a very long time. The joy of creating again, the peace of listening to my own feelings, and the gratitude I felt towards someone who had taught me to see so much beauty.
In the years that followed, I would often think back to that morning. There would come times when I worried desperately about Yby, when I longed for a message or some sign that she was safe. Events would unfold that I could never have imagined on that peaceful morning. But we had not reached those days yet. For the moment, there was only my quiet studio, the scent of paint, and a beautiful black feather that seemed to carry all the colours of the night within its sheen.
I did not yet know how much that single feather would come to mean to me. But I kept it carefully, as though something deep inside me already understood that one day, I would need it again.
And fortunately, I never threw it away.
Aurora✨