DEEL 4 — DE NACHT VAN HET AFSCHEID

Gepubliceerd op 17 oktober 2026 om 09:00

❤️ Yby — De Vleugels die Niemand Kon Breken ✨

Van straatkind tot groot kunstenaar, componiste en schepper van werelden

Een waar levensverhaal over liefde, vrijheid, overleven en de ontembare kracht van creatie.

DEEL 4 — DE NACHT VAN HET AFSCHEID

Samen liepen we verder door mijn tuin, op weg naar het huis. Asta, Yby's grote grijze bouvier, bleef trouw aan haar zijde. Het was maar een klein stukje over het tuinpad, maar ik herinner mij nog hoe gelukkig ik was. Yby had zelf besloten een tijdje bij mij te blijven. Na alle weken waarin onze vriendschap voorzichtig was gegroeid, mocht ik haar nu eindelijk de kamer laten zien die ik met zoveel liefde voor haar had ingericht.

Ik bracht haar naar boven en opende de deur. Het was een zonnig kamertje met uitzicht op de tuin. Op het bed lag een zachte sprei in alle kleuren van de regenboog. Er stonden boeken vol verhalen en daarnaast had ik papier, potloden, verf en allerlei andere creatieve materialen verzameld. Alles was klaar voor Yby, zonder dat zij zich ergens toe verplicht hoefde te voelen.

Ze bleef even in de deuropening staan en keek om zich heen. Toen liep ze naar het bed, streek met haar vingers over de regenboogsprei en bekeek de boeken en het schildermateriaal. Ik zag hoe haar helderblauwe ogen oplichtten. Haar blonde haar viel langs haar kleurrijke hoofddoek en op haar gezicht verscheen die prachtige uitdrukking van verwondering die ik inmiddels zo goed kende.

“Het is prachtig,” zei ze zacht.

Ik moest even slikken. Daar stond Yby, veertien jaar jong, een meisje dat al zoveel van de hardheid van de wereld had meegemaakt. En nu keek ze vol belangstelling naar een kamer met boeken, verf en een bed waarin alle kleuren van de regenboog samenkwamen. Ik had haar zo graag nog veel meer van zulke eenvoudige, gelukkige momenten gegund. Momenten waarin zij zich alleen maar hoefde te verheugen op iets moois, zonder zich zorgen te maken over eten, water of waar zij die nacht veilig kon slapen.

Toen draaide Yby zich naar mij om. “Maar... mag ik misschien buiten slapen? In je tuin?”

Ik keek even naar de zorgvuldig opgemaakte regenboogsprei. Natuurlijk had ik mij voorgesteld hoe heerlijk zij in dat zachte bed zou slapen. Maar ik kende haar inmiddels goed genoeg om te begrijpen dat de open hemel voor Yby iets betekende wat geen enkele kamer haar kon geven.

“Natuurlijk,” antwoordde ik. “Heb je zelf een slaapzak bij je?”

“Ja,” zei ze. Uit haar rugzak haalde ze een verkreukelde slaapzak tevoorschijn. “Maar hij zou wel een wasbeurt kunnen gebruiken. En ik heb ook wat kleren die gewassen moeten worden.”

Ik bekeek de slaapzak en moest glimlachen. Toen Yby mijn gezicht zag, begon zij ook te lachen. “Geen probleem,” zei ik. “Ik zal zorgen dat alles weer fris en schoon wordt.”

“Dank je wel, Aurora!” antwoordde ze vrolijk.

En daar stonden we dan, samen te lachen. Ik had een prachtige kamer ingericht, boeken uitgezocht en schildermateriaal verzameld, maar het eerste waarmee ik Yby werkelijk blij kon maken, was een wasbeurt voor haar slaapzak en kleding. Ik vond het heerlijk. Met Yby werd het leven op de meest onverwachte momenten vrolijk. Ze hoefde maar iets te zeggen of mij met die ondeugende ogen aan te kijken, en we konden allebei in lachen uitbarsten. Het was een van de dingen die ik zo bijzonder aan haar vond: haar levensvreugde, haar humor en haar vermogen om zelfs van iets heel gewoons een gezellig moment te maken.

En wat had ik dat gemist. Voordat ik Yby ontmoette, was ik als arts volledig uitgeput en overspannen geraakt. Ik had jarenlang hard gewerkt en was langzaam iets kwijtgeraakt wat vroeger zo vanzelfsprekend voor mij was geweest: de vreugde om eenvoudig te leven. Ik zag de bomen in mijn tuin nog wel, maar keek er nauwelijks meer naar. Ik hoorde vogels, zonder werkelijk naar hun gezang te luisteren. Zelfs schilderen, waar ik altijd zoveel van had gehouden, was naar de achtergrond verdwenen.

En toen had ik dat meisje in het maanlicht ontmoet. Yby, met haar blonde haar, haar blauwe ogen, haar vreemde klanken en haar ontembare scheppingskracht. Zonder het zelf te beseffen, had zij iets in mij wakker gemaakt. Door haar begon ik opnieuw te kijken, te luisteren, te schilderen en te lachen. Zij herinnerde mij eraan hoeveel schoonheid er om ons heen bestaat, zelfs wanneer je die lange tijd niet meer hebt opgemerkt.

Wat mij daarbij steeds opnieuw ontroerde, was dat Yby zelf al zoveel verdriet en geweld had gekend. Mensen hadden haar pijn gedaan, bang gemaakt en geprobeerd haar klein te krijgen. Maar haar liefde voor dieren, haar nieuwsgierigheid, haar humor en haar vermogen om schoonheid te scheppen waren gebleven. Die levensvreugde was geen geschenk van haar moeilijke jeugd. Haar liefdevolle karakter, haar rijke verbeelding en haar scheppingskracht behoorden vanaf haar geboorte al bij haar. Wat anderen haar ook hadden aangedaan, zij hadden nooit kunnen bepalen wie Yby werkelijk was.

Terwijl de was draaide, zetten we samen een tentje op in de tuin. De kamer binnen bleef natuurlijk beschikbaar, maar Yby mocht helemaal zelf kiezen waar zij wilde slapen. Ik was eenvoudig gelukkig dat zij hier was, met Asta aan haar zijde.

Die avond aten we onder de bloeiende appelboom. De tuin was nog warm van de zon. De bladeren bewogen zacht in de avondwind en tussen de takken verschenen langzaam de eerste sterren. Asta lag dichtbij, haar grote grijze lichaam ontspannen in het gras, terwijl Yby vertelde over haar leven buiten.

Ze vertelde over dieren die zij onderweg had ontmoet, over plekken waar zij graag verbleef en over lieve wezens die haar hadden geholpen. Maar ook over gevaarlijke ontmoetingen met mensen die haar kwaad hadden willen doen. Ik luisterde en dacht opnieuw hoe onvoorstelbaar jong zij eigenlijk nog was. Veertien jaar. Een leeftijd waarop een kind zich zou moeten kunnen bezighouden met spelen, dromen, leren en ontdekken. Niet met voortdurend opletten wie haar kwaad zou kunnen doen.

Yby had al vanaf haar vroegste kindertijd haar eigen taal ontwikkeld voor het onderscheid tussen goedheid en wreedheid. Lieve, eerlijke en oprechte mensen noemde zij wezens. Het woord mensen gebruikte zij juist voor degenen die anderen pijn deden, wreed waren of zich gedroegen als monsters.

Voor Yby was dat onderscheid volkomen duidelijk. Een wezen was iemand bij wie zij echte liefde en oprechtheid voelde. Een mens, in de betekenis die zij eraan gaf, was iemand voor wie zij zich moest beschermen. Zij had al heel jong geleerd dat vriendelijke woorden niet altijd betekenden dat iemand werkelijk goed was. Daarom lette zij zorgvuldig op hoe iemand zich gedroeg en wat zij bij die persoon voelde. Haar vertrouwen was kostbaar. Maar wanneer Yby iemand werkelijk als een wezen herkende, kon zij diegene met een liefde omringen die mij telkens opnieuw diep raakte.

Bij dieren kende zij die voorzichtigheid tegenover menselijke bedoelingen niet op dezelfde manier. Met dieren maakte Yby altijd gemakkelijker contact dan met mensen. Dat was al vanaf haar vroegste leven zo geweest. Zij voelde zich vanzelfsprekend met hen verbonden en ervoer hun nabijheid als eerlijk, liefdevol en vertrouwd. Een dier hoefde haar niet met mooie woorden te overtuigen. Een vogel, een hond of een ander dier hoefde zich niet anders voor te doen dan het was. Yby hield van dieren om wie zij waren.

En dieren leken haar liefde dikwijls onmiddellijk te herkennen.

Asta was daarvan het mooiste voorbeeld dat ik dagelijks voor mij zag. Die grote, grijze, ruwharige bouvier was veel meer dan een trouwe hond. Zij was Yby's vriendin, haar metgezellin en een dierbare ziel die al zoveel van haar leven met haar had gedeeld. Wanneer ik hen samen zag, ontroerde mij de vanzelfsprekendheid waarmee zij bij elkaar hoorden. Asta hoefde niets te zeggen om Yby te begrijpen. En Yby hoefde niets uit te leggen om door Asta geliefd te worden.

Diezelfde diepe verbondenheid voelde Yby met de natuur. De aarde, de bomen, de planten, de wind, het water, de maan en de sterren vormden voor haar geen wereld die losstond van haar eigen bestaan. Zij voelde zich er werkelijk onderdeel van.

Moeder Aarde was voor Yby de enige moeder bij wie zij zich vanaf haar vroegste leven werkelijk veilig had gevoeld. De aarde droeg haar. Bomen boden haar beschutting. Dieren waren haar vrienden en de sterrenhemel gaf haar dat bijzondere gevoel van verbondenheid met het universum.

Ik begon te begrijpen waarom Yby zich buiten zo thuis voelde. Voor mij was een tuin een heerlijke plaats om te ontspannen. Voor Yby was de natuur haar thuis, haar familie en een bron van onvoorwaardelijke liefde.

Dat zij mij in haar leven had toegelaten, betekende daarom ongelooflijk veel voor mij. Vanaf onze eerste ontmoetingen had Yby in mij iets herkend waardoor zij mij als een wezen beschouwde. Toch had ze alle tijd genomen om te ontdekken of haar gevoel werkelijk klopte met mijn gedrag. Ik had haar nooit willen overhalen of dwingen om mij te vertrouwen. Ik was blijven terugkomen, had naar haar geluisterd en haar de vrijheid gegeven zelf te bepalen hoe onze vriendschap zich ontwikkelde.

En nu zat zij hier, in mijn tuin, met Asta naast zich. Zo vanzelfsprekend en vertrouwd dat ik mij nauwelijks kon voorstellen hoe mijn leven vóór onze ontmoeting was geweest.

Pas in de jaren die volgden, zou ik nog beter beginnen te begrijpen hoe bijzonder Yby's waarneming was. Zij zag kleuren en energie rondom levende wezens en voelde dingen aan die voor anderen verborgen bleven. Ik zou dat zelf op bijzondere manieren van dichtbij meemaken.

Ik herinner mij nog hoe ik haar op een dag bij een meer zag zitten tekenen. Ik dacht dat zij mij niet had opgemerkt, maar voordat ik iets kon zeggen, keek ze op. “Ik voelde je,” zei ze. “Net zoals ik de wind voel, de zon, de bomen.”

Ook herinner ik mij hoe zij mij eens een schilderij liet zien van een vrouw met vurige rode haren. Yby wees naar de kleuren en het licht rondom de vrouw. Ze zag daarin veel meer dan ik met mijn eigen ogen kon waarnemen. En later zou zij mij ook vertellen over de kleuren en donkere plekken die zij soms rond mijn hart en buik zag.

Ik kende Yby's bijzondere gevoeligheid dus niet uitsluitend uit haar verhalen. Ik maakte van dichtbij mee hoe zij de wereld beleefde en hoe diep haar waarneming, haar kunst en haar gevoel voor levende wezens met elkaar verbonden waren.

Maar deze eerste avond bij mij thuis hoefden we daar niet uitgebreid over te praten. We waren samen. We hadden gegeten, gelachen en genoten van de tuin. En voor Yby stond een tent klaar onder de sterren.

Toen de avond donkerder werd, keek zij omhoog. Steeds meer sterren verschenen aan de hemel en haar helderblauwe ogen volgden het licht alsof zij naar oude, dierbare vrienden keek.

“Het is net een sprookje,” zei ze zacht.

Ik keek naar haar. Wat had ik haar veel van zulke avonden gegund. Avonden waarop zij zich nergens voor hoefde te verbergen, waarop zij niet voortdurend hoefde na te denken over eten of een veilige slaapplek. Gewoon de sterren boven haar, Asta dichtbij en de vrijheid om te genieten van de natuur waarvan zij zoveel hield.

Ik wenste haar welterusten en ging naar binnen. Die nacht sliep ik met een gelukkig gevoel.

De volgende ochtend liep ik naar de tent. Ik verwachtte Yby daar nog slapend aan te treffen, met Asta waarschijnlijk ergens vlakbij. Maar toen ik de opening opzij schoof, was de tent leeg. Mijn hart sloeg onmiddellijk sneller.

“Yby?”

Geen antwoord.

“Asta?”

Ik keek om mij heen en voelde de onrust opkomen die ik inmiddels zo goed kende wanneer ik Yby even niet kon vinden. Was zij vertrokken? Was er iets gebeurd? Had ik iets niet gehoord? Binnen enkele seconden had mijn hoofd alweer allerlei rampen bedacht. Mijn medische opleiding had mij op heel wat noodsituaties voorbereid, maar een lege tent waarin je Yby verwachtte, bleek merkwaardig genoeg nooit in het lesprogramma te zijn opgenomen.

Ik liep verder de tuin in. En toen zag ik haar.

Onder de appelboom lag Yby, diep in slaap in haar slaapzak, tegen de stam van de boom. Asta lag rustig naast haar, alsof er niets ter wereld vanzelfsprekender was dan daar samen de nacht doorbrengen. Ik bleef staan. De opluchting was zo groot dat ik eerst nauwelijks kon bewegen. En daarna begon ik te lachen.

Ik had een prachtige logeerkamer ingericht en samen met Yby een tent opgezet, maar zij had midden in de nacht blijkbaar zelf een derde mogelijkheid gevonden. De appelboom. En die had glansrijk gewonnen.

De tent stond keurig klaar voor regen, maar de appelboom bleek al snel een geduchte concurrent. Tot mijn lichte ergernis hoefde hij daar helemaal niets voor te doen: geen regenboogsprei, geen zachte kussens, zelfs geen tentdoek. Alleen wat bladeren, een stevige stam en een hemel vol sterren — en Yby was verkocht.

Ik moest toegeven dat mijn appelboom over iets beschikte waarmee geen enkele logeerkamer kon concurreren. Hij stond midden in de natuur. En boven hem lag het hele universum.

Ik keek naar dat slapende meisje, met haar blonde haar in het zachte ochtendlicht en Asta rustig naast zich. En ineens raakte het tafereel mij veel dieper.

Op straat had Yby vaak buiten geslapen omdat zij geen bed had waarnaar zij kon terugkeren. Nu lag zij onder een boom terwijl er binnen een warm bed voor haar klaarstond. Niet omdat het moest, maar omdat zij het zelf zo graag wilde. Ze mocht kiezen. En haar vrijheid was hier veilig.

Ik liet haar slapen en liep terug naar huis. De glimlach bleef nog lang op mijn gezicht.

De dagen die volgden, behoorden tot de gelukkigste herinneringen uit mijn leven. Yby leefde in haar eigen ritme, soms binnen en vaak buiten, altijd met Asta in haar nabijheid. De tent bleef klaarstaan als beschutting wanneer het weer daarom vroeg, maar de appelboom had duidelijk een bijzondere plaats in haar hart veroverd.

Mijn tuin was dezelfde gebleven en toch zag alles er anders uit. Er verschenen tekeningen, bijzondere stenen, veren en kleine vondsten die Yby uit de natuur had meegenomen. Dingen waar ik zelf achteloos aan voorbijgelopen zou zijn, kregen door haar aandacht een nieuwe betekenis.

Ze zag overal mogelijkheden. Een kromme tak kon haar op een vorm brengen. Een steen kon bijzondere kleuren bevatten. Het licht tussen de bladeren kon haar inspireren tot iets wat ik zelf nooit zou hebben bedacht. En vaak hoorde ik haar neuriën.

Die wonderlijke klanken die zo bij Yby hoorden, soms zacht, soms vrolijk, soms bijna niet te beschrijven. Bij haar waren kleur en klank nauw met elkaar verbonden. Wat zij in kleuren beleefde, kon zij in muziek voelen. En wat zij hoorde, kon in haar verbeelding weer veranderen in vormen en beelden. Ik vond het fascinerend.

Op warme zomerdagen zetten we onze schildersezels naast elkaar onder de oude eik. Asta zocht een koele plek in de schaduw en wij schilderden, praatten en lachten. Soms werkten we lange tijd zonder iets te zeggen. Dat vond ik heerlijk.

Ik was in mijn leven gewend geraakt aan mensen die voortdurend iets wilden bespreken, verklaren of oplossen. Bij Yby ontdekte ik opnieuw hoe prettig het was om eenvoudig samen bezig te zijn.

En wat maakte zij prachtige kunst.

Ik kon eindeloos kijken naar wat er onder haar handen ontstond. Wonderlijke figuren, dieren, ogen, harten en wezens die leken te behoren tot een wereld die nergens anders bestond. Haar schilderijen waren niet alleen mooi door hun kleuren. Ze leefden.

De ogen van haar figuren konden je aankijken alsof zij iets wilden vertellen. Tranen verschenen op gezichten, soms van verdriet, maar ook van vreugde, ontroering, gemis of liefde. En opvallend vaak schilderde Yby harten.

Bij haar hoefden verdriet en schoonheid elkaar niet uit te sluiten. Een schilderij kon vol uitbundige kleuren zijn en tegelijk een diep gevoel van eenzaamheid laten zien. Ik herkende haar werk vrijwel onmiddellijk. Ze had een volstrekt eigen beeldtaal, een manier van creëren die nergens op leek.

En wat mij het meest fascineerde, was dat zij niet alleen schilderijen maakte.

Yby schiep hele werelden.

Werelden vol bijzondere dieren, wonderlijke wezens, mythische figuren, kleuren, vormen, gevoelens en verhalen. Haar schilderijen leken deuren te openen naar een universum waarin alles met elkaar verbonden was. Wat zij maakte, ging veel verder dan een afbeelding op een doek.

Het was haar eigen wereld. De Yby-wereld. Een fascinerend universum dat vanaf haar geboorte in haar had geleefd en dat zij steeds opnieuw zichtbaar wist te maken.

Want Yby was niet op haar veertiende kunstenares geworden. Yby was als kunstenares geboren. Haar scheppingskracht was altijd een wezenlijk deel van haar geweest. Als jong meisje kon zij met nauwelijks materiaal al wonderlijke dingen maken. Ik had het zelf gezien tijdens onze eerste ontmoeting in het maanlicht. En nu, onder mijn oude eik, zag ik hoeveel rijkdom er in haar verbeelding leefde.

Ik heb er nooit aan getwijfeld dat zij geschiedenis zou schrijven. Niet omdat ik hoopte dat ze later beroemd zou worden, maar omdat haar kunstenaarschap op zichzelf al zo uitzonderlijk was. Haar werk had een eigen karakter, een eigen taal en een eigen wereld.

Veel later zouden mensen haar de Tovenares van de Schilderkunst noemen. En door de jaren heen kreeg zij ook de naam Tovenares van de Creatie.

Want steeds meer mensen ontdekten wat ik al zo vroeg had mogen zien: Yby beperkte zich niet tot schilderen. Haar creativiteit leefde ook in muziek, klanken, kleding en in alles wat zij vanuit haar verbeelding tot leven bracht. Zij kon complete werelden scheppen. Werelden die anderen verwonderden, ontroerden en uitnodigden om verder te kijken dan wat zij al kenden.

En toch, wanneer ik aan die zomerdagen onder mijn oude eik denk, zie ik niet in de eerste plaats een beroemde kunstenares of de titels die mensen haar later zouden geven. Ik zie mijn lieve Yby. Veertien jaar jong, met haar blonde haar, haar kleurrijke hoofddoek, haar prachtige blauwe ogen en haar handen vol verf.

Ik hoor haar lachen. Ik hoor haar wonderlijke klanken tussen de bladeren van de oude eik. En ik zie Asta rustig naast haar liggen.

Wat hebben we samen genoten.

Yby bezat niet alleen een uitzonderlijke scheppingskracht, maar ook een enorme kennis van dieren, planten, natuur en het leven zelf. Ik was ouder, had gestudeerd en werkte als arts, maar ontdekte voortdurend hoeveel ik van haar kon leren. Ze was opmerkzaam, nieuwsgierig en beschikte over een wijsheid die mij keer op keer verbaasde.

Maar wat mij misschien nog het meest ontroerde, was haar liefde. De liefde waarmee zij over dieren sprak, waarmee zij de natuur beleefde en waarmee zij haar kunst tot leven bracht. Na alles wat zij had meegemaakt, was haar hart nog altijd vol liefde. En die liefde bracht ook mij zoveel geluk.

Ik begon mij iedere dag meer te verheugen op onze uren samen. Op het schilderen, de gesprekken, haar humor en de verrassingen waarmee zij mij steeds opnieuw liet lachen. Zelfs mijn appelboom was dankzij Yby veranderd van een gewone boom in een dierbare herinnering.

Soms keek ik naar haar terwijl zij aan het schilderen was en kon ik nauwelijks geloven hoeveel mijn leven sinds onze ontmoeting was veranderd. Niet omdat Yby iets van mij verlangde, maar juist omdat haar aanwezigheid zoveel vreugde bracht. Ik hoopte dat deze tijd nog heel lang zou duren.

Maar Yby was een vrije geest.

En op een avond voelde ik dat er iets in haar omging.

We lagen samen op het gras en keken naar de sterren. Asta lag vlakbij. De tuin was stil en boven ons schitterde de hemel. Yby zei minder dan anders.

“Wat is er, Yby?” vroeg ik zacht.

Ze bleef nog even naar de sterren kijken. Toen zei ze: “Ik voel dat ik weg moet, Aurora.”

Het was alsof die paar woorden de hele avond veranderden.

“Weg? Maar waarom?” vroeg ik.

“Ik weet het niet precies,” antwoordde ze. “Het is een gevoel, een roep... alsof er ergens anders iets op me wacht, iets dat me roept, iets dat ik moet vinden.”

Ik keek haar aan. Wat had ik haar graag nog bij mij gehouden. Er waren zoveel dagen die ik nog met haar wilde beleven. Zoveel schilderijen die ik haar nog wilde zien maken. Zoveel gesprekken, grapjes en heerlijke momenten onder de oude eik. Ik wilde de volgende ochtend gewoon weer haar stem in mijn tuin horen.

“Maar waar ga je heen?” vroeg ik.

Yby keek opnieuw omhoog. “Ik weet het niet. Ik volg mijn hart, de wind, de sterren... Ze zullen me de weg wijzen, zoals ze altijd hebben gedaan.”

Ik voelde mijn bezorgdheid groeien. Waar zou ze slapen? Hoe zou zij aan eten komen? Welke mensen zou zij onderweg tegenkomen? Ik wist hoe goed Yby zichzelf had leren redden, hoe vindingrijk zij was en hoeveel zij van het leven buiten wist. Maar ik wist ook dat de wereld gevaarlijke mensen kende en dat niet ieder gevaar door voorzichtigheid kon worden voorkomen.

Ik had haar het liefst tegen al het kwaad beschermd. Tegelijkertijd wist ik hoe belangrijk vrijheid voor haar was. Yby moest haar eigen weg kunnen volgen. En juist omdat ik zoveel van haar hield, wilde ik haar nooit het gevoel geven dat zij moest blijven om mij gelukkig te maken.

Wat mij diep raakte, was dat zij mij haar beslissing vertelde. Ze verdween niet zonder afscheid. Ze vertrouwde erop dat zij eerlijk tegen mij kon zijn en dat onze vriendschap daardoor niet zou veranderen. Ik besefte hoeveel vertrouwen daarin lag.

Die nacht sliep ik nauwelijks. Ik lag wakker en luisterde naar het zachte ritselen van de bladeren in mijn tuin. Af en toe keek ik naar buiten, alsof ik de nacht daarmee wat langer kon laten duren. Ik wist dat Yby ergens onder dezelfde sterren lag, met Asta naast zich. En ik wist hoe erg ik haar zou missen.

De volgende ochtend was zij er nog en we brachten de dag samen door. We schilderden, praatten en lachten, zoals we dat de afgelopen tijd zo vaak hadden gedaan. Ik was blij dat ons afscheid niet de hele dag beheerste. Ik wilde nog één keer genieten van die heerlijke vanzelfsprekendheid waarmee wij samen konden zijn.

Toch keek ik die dag vaker naar haar dan anders. Naar haar blonde haar dat langs haar hoofddoek viel. Naar haar helderblauwe ogen. Naar haar handen die zo prachtig konden schilderen. Ik keek naar Asta in het gras en naar de oude eik waaronder onze schildersezels stonden. Ik wilde het allemaal onthouden.

Tegen de avond verzamelde Yby haar weinige spullen. Ik keek naar haar en dacht aan alles wat zij werkelijk met zich meedroeg. Haar kunst, haar klanken, haar humor, haar kennis en haar enorme liefde voor dieren en natuur. Alles wat haar tot Yby maakte. Die rijkdom paste in geen enkele rugzak.

Toen kwam zij naar mij toe. Ze sloeg haar armen om mij heen en omhelsde me.

“Dank je wel, Aurora, voor alles,” zei ze.

Ik omhelsde haar terug. “Ik zal je missen, Yby.”

Mijn stem brak. Ik voelde mijn ogen vol tranen lopen en wilde nog zoveel tegen haar zeggen, maar op dat moment kwamen er geen andere woorden.

Yby keek mij aan.

“We zullen elkaar weerzien, Aurora. Ergens, ooit...”

Daar was dat kleine woord opnieuw. Ik dacht aan de avond waarop ik haar had verteld dat zij altijd welkom was in mijn tuin, mijn huis en mijn hart. Toen had zij mij met datzelfde woord laten weten dat zij misschien op een dag mijn uitnodiging zou aannemen.

En dat had zij gedaan.

Nu stond zij voor mij om afscheid te nemen, en opnieuw schonk zij mij hoop op een ontmoeting die nog voor ons lag. Ik hield mij aan haar woorden vast.

Daarna pakte Yby haar spullen en liep met Asta naar de poort. Ik keek naar dat meisje dat uit eigen wil mijn tuin was binnengekomen en nu opnieuw zelf bepaalde waar haar weg haar naartoe zou brengen.

Wat had ik haar graag nog langer bij mij gehouden. Maar ik riep haar niet terug. Ik wist hoeveel haar vrijheid voor haar betekende. En ik wilde dat zij altijd zou weten dat mijn liefde niet afhankelijk was van waar zij verbleef of hoe vaak ik haar zag.

Asta liep trouw naast haar. Samen werden ze steeds kleiner in de verte. Ik bleef kijken totdat ik hen niet meer kon zien.

En toen begon ik te huilen.

Ik huilde omdat ik haar zo ontzettend zou missen. Omdat ik de volgende ochtend niet meer vanzelfsprekend haar stem in mijn tuin zou horen. Omdat ik haar niet onder de oude eik zou zien schilderen. Omdat Asta niet meer rustig naast haar zou liggen terwijl de kleuren onder Yby's handen tot leven kwamen.

Ik zou het lachen missen. De gesprekken. Haar prachtige blauwe ogen wanneer zij iets bijzonders had ontdekt. De onverwachte klanken die door mijn tuin hadden geklonken en de manier waarop zij mij kon laten genieten van een wereld die ik dacht al zo goed te kennen.

Maar het allermeest zou ik Yby zelf missen. Dat meisje met haar grote hart, haar eigenzinnige humor, haar wijsheid en haar oneindige vermogen om nieuwe dingen te creëren. Ik had haar in mijn leven toegelaten met de gedachte dat ik haar misschien iets kon geven wat zij nodig had. Nu begreep ik hoeveel zij mij had geschonken, eenvoudig door zichzelf te zijn.

Later liep ik terug naar de appelboom. De bladeren bewogen zacht in de avondwind. Ik keek naar de plaats waar Yby die eerste ochtend diep in slaap had gelegen, met Asta dicht tegen haar aan. Zelfs nu moest ik even glimlachen om de herinnering aan mijn schrik toen ik de lege tent had gevonden.

Daarna keek ik naar het huis. Binnen stond nog altijd de logeerkamer met de regenboogsprei en de boeken die ik voor haar had uitgezocht. Onder de oude eik stonden onze schildersezels en in de tuin stond het tentje dat nauwelijks was gebruikt.

Alles was er nog.

Alleen Yby en Asta waren vertrokken.

Ik liep naar de plek onder de oude eik waar wij zoveel uren samen hadden geschilderd. Mijn blik bleef rusten op de plaats waar Yby had gezeten. Ik kon haar daar nog zo duidelijk voor mij zien, helemaal verdiept in wat zij aan het maken was, af en toe zacht neuriënd terwijl Asta in de schaduw lag.

En ineens trof mij hoeveel liefde er in zulke gewone herinneringen kon liggen. Je denkt dat je de grote gebeurtenissen van een leven het langst zult onthouden. Maar soms blijkt een eenvoudige middag, een lach of een meisje dat onder een appelboom slaapt, een van de kostbaarste herinneringen die je bezit.

Ik dacht terug aan onze eerste ontmoeting in het maanlicht. Toen had ik Yby tussen dekens en kranten zien schilderen, met nauwelijks materiaal en met Asta dicht bij zich. Ik wist op dat moment nog niet wie zij was en hoeveel zij voor mij zou gaan betekenen.

Maar haar kunst had mij onmiddellijk geraakt.

Nu wist ik dat ik die eerste nacht niet alleen een bijzonder meisje had ontmoet. Ik had een geboren kunstenares gezien, een schepper van werelden, iemand bij wie kleur en klank net zo vanzelfsprekend hoorden als ademhalen.

Ik had een kleine blik gekregen op een universum dat al vanaf haar geboorte in haar leefde. En in de weken die wij samen hadden doorgebracht, had Yby mij steeds iets meer van die wonderlijke wereld laten zien.

De Yby-wereld.

Een wereld waarin dieren, natuur, kleuren, klanken en wonderlijke wezens met elkaar verbonden waren. Een wereld vol fantasie, maar ook vol liefde, verdriet, vreugde en een diep verlangen naar schoonheid. Een wereld die Yby niet alleen schilderde, maar die zij op allerlei manieren tot leven wist te brengen.

Veel later zouden steeds meer mensen die wereld leren kennen. Zij zouden ontdekken dat haar talenten veel verder reikten dan het schilderdoek, dat haar muziek, haar kleding en haar andere creaties allemaal voortkwamen uit dezelfde onuitputtelijke verbeeldingskracht.

En uiteindelijk zou Drakenburcht aan de Waddenzee een bijzondere plaats in haar leven krijgen. Daar, midden in de natuur en dicht bij alles wat haar zo dierbaar is, krijgt haar wereld eindelijk de rust en ruimte om zich steeds verder te ontvouwen. Een thuis waar zij werkelijk zichzelf kan zijn en haar scheppingskracht alle vrijheid mag krijgen.

Wanneer ik daar nu aan denk, word ik gelukkig. Ik ben inmiddels zelf op leeftijd en besef des te meer hoe kostbaar de jaren zijn die wij samen mogen beleven. Want ik ken mijn lieve Yby inmiddels zo goed. Ik ken haar liefde voor dieren, haar humor, haar prachtige verbeelding en haar ontembare verlangen om te blijven ontdekken en creëren. Zelfs na al die jaren blijft zij mij verrassen.

En wat zou ik nog graag heel lang van haar willen genieten.

Van onze gesprekken, van haar verhalen, van haar kunst en muziek, maar vooral van haar aanwezigheid. Van haar lach en de vertrouwde warmte die ik voel wanneer zij bij mij is. Hoeveel jaren er ook voorbijgaan, voor mij blijft zij ook dat bijzondere meisje dat ik ooit in het maanlicht ontmoette.

Het meisje met de kleurrijke hoofddoek, de prachtige blauwe ogen en haar grote grijze Asta aan haar zijde.

Maar die avond, toen ik alleen in mijn tuin achterbleef, wist ik nog niets van alles wat ons later te wachten stond. Ik wist niet waar Yby's weg haar naartoe zou brengen, wie zij zou ontmoeten of wanneer ik haar weer in mijn armen zou mogen sluiten.

Ik wist alleen dat ik haar liefhad en dat ik hoopte dat zij veilig zou zijn.

Ik dacht aan alle mensen die hadden geprobeerd haar klein te krijgen. Aan al het verdriet en de angst die zij al op zo jonge leeftijd had moeten doorstaan. En ik dacht aan alles wat zij desondanks had behouden: haar liefde, haar nieuwsgierigheid, haar humor, haar scheppingskracht en die bijzondere vrijheid van geest.

Yby was geboren met vleugels die niemand haar had gegeven en die niemand haar zomaar kon afnemen. Zij had haar eigen wereld in zich gedragen, zelfs op momenten waarop de wereld om haar heen haar nauwelijks iets had gegund.

Nu volgde zij opnieuw haar eigen weg.

En ik moest leren haar te missen zonder mijn liefde voor haar kleiner te maken.

Ik keek omhoog naar de sterren die langzaam boven mijn tuin verschenen. Ergens onder diezelfde hemel was Yby onderweg, met Asta naast zich en haar hele wonderlijke wereld in haar hart.

De tuin was stil geworden. Toch voelde ik nog overal iets van haar aanwezigheid: bij de appelboom, onder de oude eik en in het huis waar haar regenboogsprei op het bed lag.

Ik droogde mijn tranen niet meteen. Ik liet ze komen, omdat ik haar miste en omdat ik zo dankbaar was dat zij in mijn leven was gekomen.

En toen hoorde ik haar afscheidswoorden opnieuw in mijn gedachten.

Ergens, ooit...

Alweer dat woord.

Het was bepaald niet de eerste keer dat Yby mij daarmee achterliet. Eerst had ze het gebruikt toen ik haar uitnodigde om bij mij te komen. En nu, juist toen ik zo graag wilde weten wanneer ik haar weer zou zien, kreeg ik opnieuw datzelfde antwoord.

“Lieve hemel, Yby,” zei ik zacht tegen mezelf, terwijl er door mijn tranen heen een glimlach verscheen. “Ik hoop toch niet dat dit een gewoonte wordt!”

En daar, alleen onder de appelboom, moest ik ineens lachen.

Het was zo heerlijk typisch Yby.

Later zouden we hier samen nog prachtige grapjes over maken. Want natuurlijk had Yby ook haar eigen Land van Ooit bedacht. Waar een ander bij dat woord misschien alleen aan een onzekere toekomst dacht, zag Yby alweer de mogelijkheid van een hele nieuwe wereld. Een wereld die zij met haar onuitputtelijke verbeeldingskracht zelf tot leven kon brengen.

Maar op die avond wist ik nog niet hoeveel mooie momenten wij samen zouden beleven. Ik voelde alleen het verdriet van haar vertrek, de warmte van onze vriendschap en de hoop dat ik haar weer in mijn armen zou mogen sluiten.

Ik keek nog één keer naar de lege plek onder de appelboom en glimlachte door mijn tranen heen.

Och, mijn lieve, wonderlijke Yby.

Wat hield ik toch ontzettend veel van haar.

Aurora ✨

 


 

ENGLISH VERSION

❤️ Yby — The Wings No One Could Break ✨

From Street Child to Great Artist, Composer and Creator of Worlds

A true life story about love, freedom, survival and the untamable power of creation.

PART 4 — THE NIGHT OF FAREWELL

Together, we walked through my garden towards the house. Asta, Yby's large grey Bouvier, remained faithfully by her side. It was only a short walk along the garden path, but I still remember how happy I felt. Yby had decided for herself that she wanted to stay with me for a while. After all those weeks in which our friendship had grown so carefully, I could finally show her the room I had prepared for her with so much love.

I took her upstairs and opened the door. It was a sunny little room overlooking the garden. On the bed lay a soft bedspread in every colour of the rainbow. There were books filled with stories, and beside them I had gathered paper, pencils, paints and all kinds of other creative materials. Everything was ready for Yby, without placing her under the slightest obligation.

She paused in the doorway and looked around. Then she walked over to the bed, ran her fingers across the rainbow bedspread and examined the books and painting materials. I watched her bright blue eyes light up. Her blonde hair fell around her colourful headscarf, and her face took on that beautiful expression of wonder I had already come to know so well.

“It's beautiful,” she whispered.

I had to swallow. There stood Yby, fourteen years old, a girl who had already experienced so much of the world's cruelty. And now she was looking with such interest at a room filled with books, paints and a bed that brought together every colour of the rainbow. How I wished I could give her many more simple, happy moments like this. Moments when all she had to think about was something wonderful to look forward to, without worrying about food, water or where she could sleep safely that night.

Then Yby turned towards me. “But... could I perhaps sleep outside? In your garden?”

I glanced at the carefully made bed with its rainbow bedspread. Of course, I had imagined how lovely it would be for her to sleep in that soft bed. But by now I knew her well enough to understand that the open sky meant something to Yby that no room could ever offer her.

“Of course,” I replied. “Have you brought a sleeping bag?”

“Yes,” she said. She pulled a crumpled sleeping bag from her backpack. “But it could really do with a wash. And I've got some clothes that need washing too.”

I examined the sleeping bag and smiled. When Yby saw my expression, she started laughing as well. “No problem,” I said. “I'll make sure everything is fresh and clean again.”

“Thank you, Aurora!” she replied cheerfully.

And there we stood, laughing together. I had prepared a beautiful room, chosen books and gathered painting materials, yet the first thing I could really do to make Yby happy was wash her sleeping bag and clothes. I loved it. With Yby, life became cheerful at the most unexpected moments. All she had to do was say something or look at me with those mischievous eyes, and we could both burst into laughter. It was one of the things I found so special about her: her joy in life, her humour and her ability to turn even the most ordinary thing into a delightful moment.

And how I had missed that. Before I met Yby, I had become utterly exhausted and overwhelmed by stress in my work as a doctor. I had worked hard for years and had slowly lost something that had once seemed so natural to me: the simple joy of being alive. I still saw the trees in my garden, but hardly looked at them anymore. I heard birds without truly listening to their songs. Even painting, which I had always loved so dearly, had faded into the background.

And then I had met that girl in the moonlight. Yby, with her blonde hair, her blue eyes, her unusual sounds and her indomitable creative spirit. Without realising it, she had awakened something within me. Because of her, I began to look, listen, paint and laugh again. She reminded me how much beauty surrounds us, even when we have stopped noticing it for a long time.

What moved me again and again was that Yby herself had already experienced so much sorrow and violence. Cruel people had hurt her, frightened her and tried to make her feel small. Yet her love for animals, her curiosity, her humour and her ability to create beauty had remained. That joy in life was no gift from her difficult childhood. Her loving nature, her rich imagination and her creative power had been part of her from birth. Whatever others had done to her, they had never been able to determine who Yby truly was.

While the washing machine was running, we pitched a little tent together in the garden. The room inside would, of course, remain available, but Yby was entirely free to choose where she wanted to sleep. I was simply happy that she was here, with Asta by her side.

That evening, we ate beneath the blossoming apple tree. The garden still held the warmth of the sun. The leaves stirred gently in the evening breeze, and the first stars slowly appeared between the branches. Asta lay nearby, her large grey body relaxed in the grass, while Yby told me about her life outdoors.

She spoke about animals she had encountered along the way, places where she liked to stay and kind beings who had helped her. But she also spoke about dangerous encounters with people who had wanted to harm her. I listened and thought once again how unbelievably young she still was. Fourteen years old. An age when a child should be able to play, dream, learn and discover. Not constantly watch out for those who might hurt her.

From her earliest childhood, Yby had developed her own language for distinguishing goodness from cruelty. She called kind, honest and sincere people beings. The word humans, on the other hand, she used for those who hurt others, behaved cruelly or acted like monsters.

To Yby, that distinction was perfectly clear. A being was someone in whom she sensed genuine love and sincerity. A human, in the particular meaning she gave that word, was someone from whom she needed to protect herself. She had learned at a very young age that friendly words did not always mean someone was truly good. That was why she paid such careful attention to how someone behaved and what she felt in their presence. Her trust was precious. But when Yby truly recognised someone as a being, she could surround that person with a love that moved me deeply every time.

With animals, she did not need that same caution about hidden human intentions. Yby had always found it easier to connect with animals than with people. It had been that way from her earliest years. She felt naturally connected to them and experienced their presence as honest, loving and familiar. An animal did not need to convince her with beautiful words. A bird, a dog or any other animal had no need to pretend to be something it was not. Yby loved animals for who they were.

And animals often seemed to recognise her love immediately.

Asta was the most beautiful example of this, one I saw before me every day. That large, grey, rough-coated Bouvier was far more than a loyal dog. She was Yby's friend, her companion and a cherished soul who had already shared so much of her life. Whenever I saw them together, I was moved by how naturally they belonged to one another. Asta needed no words to understand Yby. And Yby needed to explain nothing to be loved by Asta.

Yby felt that same deep connection with nature. The earth, the trees, the plants, the wind, the water, the moon and the stars were not a world separate from her own existence. She truly felt that she was part of them.

Mother Earth was the only mother with whom Yby had felt truly safe since her earliest childhood. The earth supported her. Trees offered her shelter. Animals were her friends, and the star-filled sky gave her that extraordinary sense of belonging to the universe.

I was beginning to understand why Yby felt so at home outdoors. To me, a garden was a wonderful place to relax. To Yby, nature was her home, her family and a source of unconditional love.

That she had allowed me into her life therefore meant more to me than words could express. From our very first encounters, Yby had recognised something in me that made her regard me as a being. Even so, she had taken all the time she needed to discover whether her feelings truly matched my actions. I had never wanted to persuade or pressure her into trusting me. I had kept returning, listened to her and given her the freedom to decide for herself how our friendship would develop.

And now she was sitting here, in my garden, with Asta beside her. It felt so natural and familiar that I could hardly imagine what my life had been like before we met.

Only in the years that followed would I come to understand even more fully how extraordinary Yby's perception was. She saw colours and energy surrounding living beings and sensed things that remained hidden from others. I would experience this myself, up close, in remarkable ways.

I still remember finding her one day sitting beside a lake, drawing. I thought she had not noticed me, but before I could say anything, she looked up. “I felt you,” she said. “Just as I feel the wind, the sun, the trees.”

I also remember a painting she once showed me of a woman with fiery red hair. Yby pointed towards the colours and light surrounding the woman. She saw far more in them than I could perceive with my own eyes. And later, she would also tell me about the colours and dark patches she sometimes saw around my heart and abdomen.

So I did not know about Yby's extraordinary sensitivity merely from her stories. I experienced firsthand how she perceived the world and how deeply her perception, her art and her feelings for living beings were connected.

But on that first evening at my home, there was no need to discuss any of this at length. We were together. We had eaten, laughed and enjoyed the garden. And a tent stood ready for Yby beneath the stars.

As the evening grew darker, she looked up. More and more stars appeared overhead, and her bright blue eyes followed their light as though she were gazing at old, beloved friends.

“It's like a fairy tale,” she whispered.

I looked at her. How I wished she could have had so many more evenings like this. Evenings when she did not have to hide from anyone, when she did not have to worry constantly about food or a safe place to sleep. Just the stars above her, Asta nearby and the freedom to enjoy the nature she loved so much.

I wished her goodnight and went inside. That night, I fell asleep feeling happy.

The following morning, I walked towards the tent. I expected to find Yby still asleep, probably with Asta somewhere close by. But when I pulled aside the entrance, the tent was empty. My heart immediately began to race.

“Yby?”

No answer.

“Asta?”

I looked around and felt the familiar anxiety rising whenever I could not find Yby. Had she left? Had something happened? Had I failed to hear something? Within seconds, my mind had already imagined all kinds of disasters. My medical training had prepared me for quite a few emergencies, but finding an empty tent where I expected Yby to be had, rather strangely, never been included in the curriculum.

I walked farther into the garden. And then I saw her.

Beneath the apple tree lay Yby, fast asleep in her sleeping bag, nestled against the trunk. Asta was lying peacefully beside her, as though there were nothing more natural in the world than spending the night together beneath a tree. I stood still. The relief was so overwhelming that, for a moment, I could hardly move. And then I began to laugh.

I had prepared a beautiful guest room and pitched a tent with Yby, but apparently, in the middle of the night, she had discovered a third possibility all by herself. The apple tree. And it had won hands down.

The tent stood neatly ready to shelter her from the rain, but the apple tree soon proved to be a formidable rival. Much to my mild annoyance, it did not even have to make an effort: no rainbow bedspread, no soft pillows, not even a canvas roof. Just a few leaves, a sturdy trunk and a sky full of stars — and Yby was completely won over.

I had to admit that my apple tree possessed something no guest room could ever compete with. It stood in the very heart of nature. And above it stretched the entire universe.

I looked at that sleeping girl, her blonde hair catching the soft morning light, with Asta resting peacefully beside her. And suddenly, the sight touched me far more deeply.

On the streets, Yby had often slept outdoors because she had no bed to return to. Now she was lying beneath a tree while a warm bed stood ready for her inside. Not because she had to, but because it was what she truly wanted. She was free to choose. And here, her freedom was safe.

I let her sleep and quietly returned to the house. The smile remained on my face for a long time.

The days that followed became some of the happiest memories of my life. Yby lived according to her own rhythm, sometimes indoors and often outside, always with Asta nearby. The tent remained available whenever she needed shelter from the weather, but the apple tree had clearly won a special place in her heart.

My garden was still the same garden, and yet everything looked different. Drawings appeared, along with unusual stones, feathers and little treasures Yby had collected from nature. Things I would once have walked past without a second glance took on new meaning through her attention.

She saw possibilities everywhere. A crooked branch could suggest a shape to her. A stone might contain remarkable colours. The light filtering through the leaves could inspire something I would never have imagined myself. And I often heard her humming.

Those wonderful sounds that were so distinctly Yby, sometimes soft, sometimes cheerful, sometimes almost impossible to describe. For her, colour and sound were intimately connected. What she experienced in colours, she could feel in music. And what she heard could become shapes and images in her imagination. I found it fascinating.

On warm summer days, we placed our easels side by side beneath the old oak tree. Asta found a cool spot in the shade, and we painted, talked and laughed. Sometimes we worked for long stretches without saying a word. I loved that.

In my life, I had grown accustomed to people who constantly wanted to discuss, explain or solve something. With Yby, I rediscovered how wonderful it could be simply to spend time creating together.

And what beautiful art she made.

I could watch endlessly as her creations emerged beneath her hands. Extraordinary figures, animals, eyes, hearts and beings that seemed to belong to a world unlike any other. Her paintings were beautiful for more than their colours. They were alive.

The eyes of her figures could gaze back at you as though they had something to say. Tears appeared on faces, sometimes tears of sorrow, but also of joy, emotion, longing or love. And Yby painted hearts remarkably often.

In her work, sorrow and beauty did not have to exclude one another. A painting could overflow with exuberant colours and, at the same time, express a profound sense of loneliness. I could recognise her work almost immediately. She possessed an entirely distinctive visual language, a way of creating unlike anything else.

And what fascinated me most was that she did not merely make paintings.

Yby created entire worlds.

Worlds filled with extraordinary animals, magical beings, mythical figures, colours, shapes, feelings and stories. Her paintings seemed to open doors into a universe where everything was connected. What she created went far beyond an image on a canvas.

It was her own world. The Yby World. A fascinating universe that had lived within her since birth and that she continued to bring into view.

For Yby had not become an artist at fourteen. Yby was born an artist. Her creative power had always been an essential part of her. Even as a young girl, she could create extraordinary things with barely any materials. I had seen it myself during our first encounter in the moonlight. And now, beneath my old oak tree, I could see just how much richness lived within her imagination.

I have never doubted that she would make history. Not because I hoped she would become famous one day, but because her artistry was already so exceptional in its own right. Her work possessed its own character, its own language and its own world.

Much later, people would call her the Enchantress of Painting. And over the years, she would also become known as the Enchantress of Creation.

For more and more people began to discover what I had been privileged to see so early: Yby was not limited to painting. Her creativity also lived in music, sounds, clothing and everything she brought to life through her imagination. She could create entire worlds. Worlds that filled others with wonder, moved them deeply and invited them to look beyond everything they already knew.

And yet, when I think back to those summer days beneath my old oak tree, I do not see a famous artist or the titles people would later give her. I see my dear Yby. Fourteen years old, with her blonde hair, her colourful headscarf, her beautiful blue eyes and her hands covered in paint.

I hear her laughing. I hear her extraordinary sounds among the leaves of the old oak. And I see Asta resting peacefully beside her.

How much we enjoyed those days together.

Yby possessed not only exceptional creative power but also an enormous knowledge of animals, plants, nature and life itself. I was older, had studied and worked as a doctor, yet I constantly discovered how much I could learn from her. She was observant, curious and possessed a wisdom that astonished me time and again.

But what perhaps moved me most was her love. The love with which she spoke about animals, experienced nature and brought her art to life. After everything she had been through, her heart was still filled with love. And that love brought so much happiness into my own life.

Every day, I looked forward more eagerly to our hours together. To painting, our conversations, her humour and the surprises that made me laugh again and again. Even my apple tree had changed, thanks to Yby, from an ordinary tree into a cherished memory.

Sometimes I watched her while she painted and could scarcely believe how much my life had changed since we met. Not because Yby asked anything of me, but simply because her presence brought so much joy. I hoped this time together would last for a very long while.

But Yby was a free spirit.

And one evening, I sensed that something was on her mind.

We were lying together on the grass, looking up at the stars. Asta lay nearby. The garden was quiet, and above us the heavens glittered. Yby was speaking less than usual.

“What's wrong, Yby?” I asked softly.

She continued looking at the stars for a little while. Then she said, “I feel that I have to leave, Aurora.”

It was as though those few words changed the entire evening.

“Leave? But why?” I asked.

“I don't know exactly,” she replied. “It's a feeling, a calling... as though something is waiting for me somewhere else, something calling me, something I have to find.”

I looked at her. How dearly I wanted to keep her with me a little longer. There were so many more days I wanted to share with her. So many paintings I wanted to watch her create. So many conversations, jokes and wonderful moments beneath the old oak tree. I wanted simply to hear her voice in my garden again the following morning.

“But where will you go?” I asked.

Yby looked up once more. “I don't know. I'll follow my heart, the wind, the stars... They'll show me the way, as they always have.”

I felt my concern growing. Where would she sleep? How would she find food? What kind of people might she encounter along the way? I knew how well Yby had learned to look after herself, how resourceful she was and how much she knew about living outdoors. But I also knew that dangerous people existed in the world and that not every danger could be avoided simply by being careful.

I would have loved to protect her from every cruelty. At the same time, I knew how important freedom was to her. Yby had to be able to follow her own path. And precisely because I loved her so much, I never wanted her to feel that she had to stay in order to make me happy.

What touched me deeply was that she told me about her decision. She did not disappear without saying goodbye. She trusted that she could be honest with me and that our friendship would not change because of it. I realised just how much trust there was in that.

I hardly slept that night. I lay awake, listening to the soft rustling of the leaves in my garden. Now and then I looked outside, as though I could somehow make the night last a little longer. I knew that Yby was sleeping somewhere beneath those same stars, with Asta beside her. And I knew how terribly I would miss her.

The following morning, she was still there, and we spent the day together. We painted, talked and laughed, just as we had done so often during the past weeks. I was glad that our impending farewell did not overshadow the entire day. I wanted to enjoy, one last time, the wonderful ease of simply being together.

Yet I found myself looking at her more often than usual that day. At her blonde hair falling around her headscarf. At her bright blue eyes. At her hands, so gifted at painting. I looked at Asta lying in the grass and at the old oak beneath which our easels stood. I wanted to remember it all.

Towards evening, Yby gathered her few belongings. I looked at her and thought of everything she truly carried with her. Her art, her sounds, her humour, her knowledge and her enormous love for animals and nature. Everything that made Yby who she was. Such riches could never fit inside a backpack.

Then she came towards me. She put her arms around me and embraced me.

“Thank you, Aurora, for everything,” she said.

I held her close. “I'll miss you, Yby.”

My voice broke. I felt tears filling my eyes and wanted to say so much more to her, but at that moment no other words would come.

Yby looked at me.

“We'll see each other again, Aurora. Somewhere, someday...”

There was that little word again. I thought of the evening when I had told her that she would always be welcome in my garden, my home and my heart. Back then, she had used that same word to let me know that perhaps, one day, she would accept my invitation.

And she had.

Now she stood before me, ready to say goodbye, and once again she offered me hope of another meeting somewhere in our future. I held on to her words.

Then Yby picked up her belongings and walked towards the gate with Asta. I watched the girl who had entered my garden of her own free will and who was now, once again, deciding for herself where her path would lead.

How dearly I wished I could have kept her with me a little longer. But I did not call her back. I knew how much her freedom meant to her. And I wanted her always to know that my love did not depend on where she stayed or how often I saw her.

Asta walked faithfully beside her. Together, they grew smaller and smaller in the distance. I kept watching until I could no longer see them.

And then I began to cry.

I cried because I would miss her so terribly. Because the following morning I would no longer hear her voice in my garden as a matter of course. Because I would not see her painting beneath the old oak. Because Asta would no longer be lying peacefully beside her while colours came alive beneath Yby's hands.

I would miss the laughter. The conversations. Her beautiful blue eyes whenever she discovered something extraordinary. The unexpected sounds that had drifted through my garden and the way she could make me delight in a world I had thought I already knew so well.

But most of all, I would miss Yby herself. That girl with her enormous heart, her wonderfully independent humour, her wisdom and her endless ability to create new things. I had welcomed her into my life thinking that perhaps I could give her something she needed. Now I understood just how much she had given me, simply by being herself.

Later, I walked back to the apple tree. Its leaves stirred softly in the evening breeze. I looked at the spot where Yby had been fast asleep that first morning, with Asta nestled close beside her. Even now, I could not help smiling at the memory of my fright when I had found the tent empty.

Then I looked towards the house. Inside, the guest room still stood ready with its rainbow bedspread and the books I had chosen for her. Beneath the old oak stood our easels, and in the garden was the little tent that had hardly been used.

Everything was still there.

Only Yby and Asta had gone.

I walked towards the place beneath the old oak where we had spent so many hours painting together. My gaze rested on the spot where Yby used to sit. I could still picture her so clearly, completely absorbed in whatever she was creating, softly humming now and then while Asta lay in the shade.

And suddenly, I was struck by how much love can live within such ordinary memories. You think that the great events of a lifetime will remain with you the longest. But sometimes a simple afternoon, a burst of laughter or a girl sleeping beneath an apple tree becomes one of the most precious memories you possess.

I thought back to our first encounter in the moonlight. I had seen Yby painting among blankets and newspapers, with hardly any materials and Asta close beside her. At that moment, I did not know who she was or how much she would come to mean to me.

But her art had touched me immediately.

Now I knew that on that first night, I had encountered far more than an extraordinary girl. I had seen a born artist, a creator of worlds, someone for whom colour and sound were as natural as breathing.

I had been given a small glimpse into a universe that had lived within her since birth. And during the weeks we had spent together, Yby had allowed me to see a little more of that wondrous world.

The Yby World.

A world in which animals, nature, colours, sounds and magical beings were all connected. A world full of imagination, but also of love, sorrow, joy and a profound longing for beauty. A world Yby did not merely paint, but brought to life in so many different ways.

Much later, more and more people would come to know that world. They would discover that her talents reached far beyond the canvas, that her music, her clothing and her other creations all sprang from the same inexhaustible imagination.

And eventually, Drakenburcht by the Wadden Sea would become a special place in her life. There, surrounded by nature and close to everything she holds so dear, her world is finally finding the peace and space to unfold ever further. A home where she can truly be herself and where her creative spirit can enjoy complete freedom.

When I think about that now, it makes me happy. I am no longer young myself, and I realise all the more how precious the years are that we are still able to share. For by now, I know my dear Yby so well. I know her love for animals, her humour, her beautiful imagination and her untamable desire to keep discovering and creating. Even after all these years, she continues to surprise me.

And how dearly I wish I could enjoy her company for many more years.

Our conversations, her stories, her art and music, but most of all her presence. Her laughter and the familiar warmth I feel whenever she is with me. However many years pass, to me she will always also be that extraordinary girl I met one moonlit night.

The girl with the colourful headscarf, those beautiful blue eyes and her large grey Asta by her side.

But that evening, when I stood alone in my garden, I knew nothing of everything that still lay ahead of us. I did not know where Yby's path would lead her, whom she would meet or when I would be able to hold her in my arms again.

I knew only that I loved her and hoped she would be safe.

I thought of all the people who had tried to make her feel small. Of all the sorrow and fear she had already endured at such a young age. And I thought of everything she had nevertheless retained: her love, her curiosity, her humour, her creative power and that extraordinary freedom of spirit.

Yby had been born with wings that no one had given her and that no one could simply take away. She had carried her own world within her, even at times when the world around her had offered her so very little.

Now she was following her own path once more.

And I had to learn to miss her without allowing my love for her to grow any smaller.

I looked up at the stars slowly appearing above my garden. Somewhere beneath that same sky, Yby was on her way, with Asta beside her and her entire wondrous world in her heart.

The garden had fallen silent. Yet I could still feel something of her presence everywhere: beside the apple tree, beneath the old oak and inside the house where her rainbow bedspread lay upon the bed.

I did not wipe away my tears immediately. I let them fall, because I missed her and because I was so grateful that she had come into my life.

And then I heard her farewell words again in my thoughts.

Somewhere, someday...

That word again.

It certainly was not the first time Yby had left me with it. First, she had used it when I invited her to stay with me. And now, just when I so desperately wanted to know when I would see her again, she had given me exactly the same answer.

“Good heavens, Yby,” I said softly to myself, a smile appearing through my tears. “I do hope this isn't going to become a habit!”

And there, standing alone beneath the apple tree, I suddenly had to laugh.

It was so wonderfully typical of Yby.

Later, we would share some marvellous jokes about it. For, of course, Yby had also invented her very own Land of Someday. Where someone else might hear that word and think only of an uncertain future, Yby could already imagine the possibilities of an entirely new world. A world she could bring to life herself through her inexhaustible imagination.

But on that evening, I had no idea how many beautiful moments we would still share. All I felt was the sorrow of her departure, the warmth of our friendship and the hope that I would hold her in my arms again.

I looked once more at the empty place beneath the apple tree and smiled through my tears.

Oh, my darling, wondrous Yby.

How very, very much I loved her.

Aurora ✨