DEEL 3 — KIND VAN DE KOSMOS, VOOR EEUWIG OMARMD

Gepubliceerd op 9 oktober 2026 om 14:49

❤️Yby — De Vleugels die Niemand Kon Breken✨

Van straatkind tot groot kunstenaar, componiste en schepper van werelden

Een waar levensverhaal over liefde, vrijheid, overleven en de ontembare kracht van creatie.

DEEL 3 — KIND VAN DE KOSMOS, VOOR EEUWIG OMARMD

Het woord ooit bleef na die avond nog lang bij mij. “Wellicht... ooit,” had Yby gezegd toen ik haar vertelde dat er altijd een plek voor haar zou zijn in mijn tuin, mijn huis en mijn hart. Ik wist inmiddels genoeg om dat ene kleine woord met rust te laten. Bij Yby kon vertrouwen niet worden versneld door goede bedoelingen, en liefde al helemaal niet door eraan te trekken. Dus vroeg ik niet wanneer dat ooit zou zijn. Ik liet het bij haar, precies waar het hoorde.

Haar leven buiten ging ondertussen verder. Met Asta aan haar zijde bewoog Yby door straten, langs stille plekken en naar schuilplaatsen die zij zorgvuldig had uitgezocht. Sommige lagen zo verborgen dat ik ze zonder haar nooit gevonden zou hebben. Langzaam liet ze mij een paar van die plekken zien, maar nooit allemaal. Dat vond ik eigenlijk geruststellend. Een meisje dat zo vaak had meegemaakt dat anderen over haar grenzen heen gingen, mocht tenminste een paar plaatsen op aarde hebben waarvan alleen zij wist hoe je er moest komen.

In die weken begon ik pas werkelijk te begrijpen hoeveel er schuilging achter de eenvoudige woorden Yby leefde op straat. Water stond niet vanzelf naast haar bed. Ze vulde flessen waar dat kon, bijvoorbeeld bij winkels of benzinepompen. Mensen gaven haar soms eten, kranten, lucifers, een aansteker of andere kleine dingen die in mijn huis nauwelijks aandacht zouden krijgen, maar buiten ineens waardevol werden.

Haar kleding waste ze soms in een sloot of meertje en wanneer zij ergens een paar extra velletjes toiletpapier kon meenemen, deed zij dat. Ik had als arts over bijna ieder menselijk lichaamsdeel geleerd, maar toiletpapier als strategische levensvoorraad was in mijn opleiding merkwaardig genoeg onderbelicht gebleven.

Soms moest ik om haar lachen en tegelijkertijd bijna huilen. Yby kon iets vertellen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, terwijl ik naar haar keek en dacht: lieve schat, jij zou dit op jouw leeftijd helemaal niet allemaal hoeven weten. Een meisje van veertien mocht zich wat mij betreft druk maken over muziek, een rare broek, een verliefdheid, een ruzie met een vriendin of een kapsel waar na drie dagen spijt van kwam.

Yby dacht na over water, eten, warmte, waar zij veilig kon slapen en wat zij moest doen wanneer een plek niet goed voelde. Ik bewonderde wat zij kon, maar ik kon nooit vergeten waarom zij het had moeten leren.

En toch was juist dát niet het eerste wat opviel wanneer je haar werkelijk leerde kennen. Wat mij steeds opnieuw verwonderde, was hoe opgewekt zij vaak was. Na alles wat zij al op zo jonge leeftijd had meegemaakt, had ik een kind kunnen verwachten dat zich voor het leven had afgesloten. Maar dan trof ik haar ergens met helderblauwe ogen, Asta naast zich, houtskool aan haar vingers en een nieuwe gedachte die kennelijk dringend uitgevoerd moest worden.

Ze kon blij worden van een vogel, een mooie steen, een vreemde vorm in een boom, een kleur in de lucht of iets belachelijks wat Asta had gedaan. Soms keek ik naar haar en dacht ik alleen maar: hoe krijg jij dit voor elkaar?

Natuurlijk waren er ook andere momenten. Soms werd Yby ineens heel stil, alsof een nare herinnering onverwacht uit het verleden was opgestaan en naast haar was gaan zitten. Dan trok de levendigheid zich terug uit haar gezicht en kon ze met haar vingers door Asta’s ruige vacht gaan zonder behoefte aan woorden. Ik wist niet altijd wat zij op zulke momenten zag of voelde, en ik leerde al snel dat ik daar niet achteraan moest.

Geen eindeloze vragen, geen onderzoek, geen goedbedoeld gepeuter aan een deur die zij zelf gesloten hield. Soms bleef ik alleen maar naast haar zitten, en Asta ging iets dichter tegen haar aan liggen. De hond had die methode overigens aanzienlijk eerder onder de knie dan ik.

Wat mij diep raakte, was wat daarna dikwijls gebeurde. Niet dat haar verdriet ineens verdween, want zo werkt een mens niet. Maar ergens vond Yby opnieuw een opening naar het leven. Ze hoorde een vogel en keek op. Ze zag iets wat zij wilde tekenen. Ze begon zacht te neuriën of maakte een paar van die vreemde kleine klanken die zo bij haar hoorden.

Er verscheen weer iets in haar ogen. Niet omdat zij vergeten was wat pijn deed, maar omdat pijn bij haar kennelijk nooit het alleenrecht op haar ziel kreeg.

Ik had in mijn leven veel mensen ontmoet en als arts ook mensen gezien in omstandigheden waarin alles wat oppervlakkig is van een mens afvalt. Ik kende moed, verdriet, angst en overlevingskracht. Toch had ik nog nooit iemand meegemaakt zoals Yby. Misschien kwam een film er het dichtst bij in de buurt: zo’n verhaal waarin een kind de ene onmogelijke gebeurtenis na de andere doorstaat en je als kijker denkt dat een werkelijk mens dat nooit zou kunnen.

Alleen was dit geen film. Er was geen regisseur die “stop” riep wanneer het te zwaar werd, geen veilige kleedkamer buiten beeld en geen scenarioschrijver die precies op tijd een wonder liet verschijnen.

Yby was echt. Asta was echt. De koude nachten waren echt, de onzekerheid was echt en de herinneringen die haar soms stil maakten waren echt. Maar ook haar lach was echt. Haar nieuwsgierigheid. Haar humor. Haar honger naar kleur en klank. Haar vermogen om na alles wat lelijk was nog steeds onmiddellijk schoonheid te herkennen. Misschien zag zij schoonheid juist zo scherp omdat zij de andere kant ervan al veel te goed kende.

Haar overlevingsdrang was enorm, maar het wonderlijke was dat die haar niet hard had gemaakt. Yby voelde juist verschrikkelijk veel. Ze kon verdrietig zijn, bang zijn, zich afsluiten of even niemand dichtbij willen hebben. Haar kracht zat er niet in dat niets haar raakte; haar kracht zat erin dat zoveel haar raakte en zij toch bleef leven, maken, kijken en liefhebben.

Ze was veertien jaar jong en beschikte over een zelfstandigheid en vindingrijkheid waar veel volwassenen nooit een beroep op hoeven te doen. Ik zou haar daarom nooit volwassen noemen. Ze was een kind, en dat recht op kind-zijn mocht haar niet óók nog worden afgenomen.

Overal tussendoor creëerde ze. Als er geen doek was, werd karton een wereld. Als er geen papier was, kon een stoep voldoende zijn. Met houtskool tekende ze waar dat kon en met een takje maakte zij lijnen in zand. Het leek soms alsof materiaal voor Yby slechts een technische bijkomstigheid was. Er zat iets in haar wat vorm wilde krijgen, en als de wereld haar geen geschikt gereedschap gaf, vond zij zelf wel iets.

Zelfs haar kleding was niet veilig voor die scheppingsdrang. Ik herinner me een kapotte broek waarbij ik, geheel volgens mijn tamelijk conventionele geest, vooral dacht: daar zit een gat in. Yby zag kennelijk iets volstrekt anders.

In plaats van het gat zo onzichtbaar mogelijk te maken, kon ze het juist benadrukken, er een cirkel omheen zetten en doodleuk een pijl erbij tekenen alsof ze wilde zeggen: voor wie het nog niet gezien had, hier bevindt zich het interessante gedeelte. Ik wist de eerste keer werkelijk niet wat ik zag.

Ik moest lachen, want voor Yby was daar niets vreemds aan. Waar ik schade zag, zag zij een mogelijkheid om iets eigens te maken. Jaren later zou die eigen kledingtaal steeds verder groeien en uiteindelijk zou er Yby Couture ontstaan, maar achteraf herken ik de oorsprong ervan al in zulke kleine momenten.

Kleding was in haar jeugd trouwens nooit helemaal een vreemde wereld geweest; al vroeg had zij allerlei bijzondere, door haar moeder gemaakte creaties gedragen voor passen, foto’s en later ook wanneer zij in de media verscheen. Yby werkte daar als kind vaak braaf aan mee.

Maar gaandeweg begon zij kleding steeds meer naar haar eigen hand te zetten, en dat maakte alle verschil.

Ik bewonderde Yby, maar misschien nog vaker verwonderde zij mij. Want zo werkte het kennelijk bij haar: iets hoefde niet heel, nieuw of duur te zijn om waarde te hebben. Een gat kon het begin van een ontwerp worden. Afgedankt karton kon een kunstwerk worden. Een takje kon een tekeninstrument zijn. Er waren mensen die eerst perfecte omstandigheden nodig hadden voordat ze begonnen te creëren; Yby leek juist tegen de omstandigheden te zeggen dat ze maar een beetje moesten opschuiven.

En dan waren er de klanken. Yby neuriede vaak, soms kleine melodieën en soms vreemde toontjes waarvan ik niet wist of ze ergens begonnen of eindigden. Haar handen konden tekenen terwijl haar stem intussen haar eigen weg volgde. Ik wist toen nog niet hoe belangrijk muziek in haar verdere leven zou worden, maar ik begon wel te zien dat al die vormen van creatie bij haar nooit werkelijk los van elkaar stonden. Beeld, geluid, beweging, kleding, kleur — het waren geen afzonderlijke kamers in Yby. Het was één huis.

Misschien is dat waarom ik later nooit goed heb kunnen zeggen dat Yby “kunst maakte” zonder te voelen dat die woorden te klein waren. Kunst was geen activiteit die zij begon wanneer zij een penseel vasthield en beëindigde zodra ze het neerlegde. Het zat in haar manier van kijken, in haar stem, haar handen, haar kleding, haar humor en zelfs in de oplossingen waarmee zij haar leven buiten vormgaf. Yby maakte niet alleen kunst. Yby was kunst. Creatie was geen versiering van haar bestaan; het was een deel van haar adem.

Onze band groeide ondertussen op een manier die ik bijna niet zag gebeuren. Er was geen groot moment waarop Yby verklaarde dat zij mij vanaf die dag vertrouwde. Bij haar zat vertrouwen in veel kleinere dingen. Ze liet mij een plek zien die eerder geheim was gebleven. Ze bleef wat langer zitten. Ze vertelde iets en trok het daarna niet onmiddellijk weer terug. Soms maakte ze een grap waarvan ik inmiddels wist dat die betekende dat ik minder voorzichtig op de rand van haar wereld hoefde te zitten.

En misschien nog belangrijker: soms werd zij stil zonder weg te gaan. In het begin, wanneer een herinnering haar raakte, kon ik voelen hoe ze zich helemaal naar binnen terugtrok. Langzaam kwam er een verschil. Ze kon zwijgen terwijl ik erbij bleef zitten. Ze hoefde bij mij niet vrolijk te doen om welkom te blijven. Ze hoefde geen verhaal te vertellen of mij gerust te stellen. Dat lijkt misschien klein, maar ik wist inmiddels hoe kostbaar het was.

Ook ik begon haar beter te lezen. Ik wist steeds vaker wanneer ik iets kon vragen en wanneer juist niet. Ik herkende bepaalde blikken. Yby herkende helaas ook de mijne, vooral die blik waarvan ik dacht dat ik mijn bezorgdheid zeer professioneel verborg. Daar trapte ze geen seconde in. Soms keek ze mij dan aan met een uitdrukking die ongeveer betekende: Aurora, doe toch eens normaal.

Ik was arts, ouder en naar mijn eigen overtuiging meestal bijzonder redelijk. Yby was veertien en blijkbaar niet onder de indruk van mijn cv. Vooral wanneer ik haar niet kon vinden, bleek mijn redelijkheid een tamelijk kwetsbare constructie. Yby was meesterlijk goed in onopgemerkt blijven.

Dat had zij zichzelf niet voor de lol aangeleerd; het kon veiliger zijn wanneer mensen niet wisten waar zij was. Voor haar was het een overlevingsvaardigheid. Voor mijn zenuwstelsel was het een minder aantrekkelijk talent. Binnen korte tijd kon mijn hoofd politie, ziekenhuis, brandweer en vermoedelijk een internationale reddingsoperatie organiseren terwijl Yby ergens rustig met Asta zat te tekenen.

En dan zag ik haar eindelijk. Ze keek op alsof juist ík degene was die onverwacht was verschenen. Op zulke momenten wilde ik haar tegelijkertijd omhelzen, streng toespreken en een week lang aan mijn jas vastnaaien. Meestal deed ik geen van drieën, want juist in die weken begon ik iets moeilijks te begrijpen: mijn bezorgdheid mocht geen nieuwe kooi voor haar worden. Zij had al genoeg mensen gekend die meenden te mogen bepalen wat goed voor haar was.

Als ik werkelijk een veilige plaats in haar leven wilde zijn, moest ik leren er te zijn zonder haar te bezitten. Helpen zonder haar leven over te nemen. Opletten zonder haar voortdurend te controleren. Liefhebben zonder daar als tegenprestatie gehoorzaamheid voor te verlangen. Yby leerde mij dat vrijheid niet tegenover liefde staat. Voor haar was vrijheid een voorwaarde om liefde überhaupt te kunnen vertrouwen.

Zo verstreken de weken. Buiten bleef Yby haar leven leiden, terwijl er bij mij thuis stilletjes iets veranderde. In mijn huis stond een logeerkamer, en ergens begon dat lege vertrek mij steeds meer aan haar te doen denken. Ik vertelde Yby niets. Ik wilde niet dat die kamer een vraag werd waarop zij een antwoord moest geven. Maar op een dag legde ik een zachte sprei in regenboogkleuren op het bed, zette boeken neer en verzamelde papier, potloden, verf en allerlei creatieve spullen.

Ik deed tegenover mezelf alsof dit een uiterst praktische huishoudelijke bezigheid was. Dat was natuurlijk volstrekte onzin. Het was hoop met een regenboogsprei eroverheen. Ik stelde mij soms voor dat Asta onmiddellijk de meest onpraktische plek van de kamer zou uitkiezen om te gaan liggen en dat Yby binnen betrekkelijk korte tijd verf zou krijgen op iets waarvan ik tot dan toe dacht dat verf daar natuurkundig onmogelijk kon komen.

Daar moest ik om lachen. Maar soms stond ik daarna ineens met tranen in mijn ogen naar dat lege bed te kijken. Niet omdat ik wilde dat Yby voortaan van mij zou zijn. Niet omdat ik haar straatleven met één kamer kon of wilde uitwissen. Er was maar één eenvoudige wens in mij gegroeid: laat dit kind één plek kennen waar niemand haar pijn doet. Een plek waar eten gewoon eten is en geen voorraad die veiliggesteld moet worden, waar water blijft stromen, waar een deur alleen tegen tocht wordt gesloten en nooit om haar gevangen te houden.

Ik wilde dat het een plaats zou zijn waar Yby mocht praten, maar ook mocht zwijgen. Waar ze mocht lachen, maar ook stil mocht worden wanneer een herinnering te dichtbij kwam. Waar niemand van haar eiste dat zij sterk was omdat zij toevallig had bewezen dat zij sterk kón zijn.

Misschien was dat wel wat mij het diepst raakte in die periode: hoe gemakkelijk de wereld bewondering heeft voor een kind dat zichzelf weet te redden, terwijl niemand zich ooit zou moeten neerleggen bij het feit dat zo’n kind zichzelf móét redden.Bijna twee maanden verstreken sinds die eerste avond in mijn tuin. Ik sprak nooit over de kamer. Ik herinnerde Yby niet aan haar “wellicht... ooit”.

De kamer kon wachten. Een kamer had daar niets onder te lijden. Yby had al vaak genoeg moeten leven volgens de haast, eisen en grillen van anderen.

Op een middag was ik in de tuin bezig. De bijen zoemden tussen de bloemen en de rozen stonden zo uitbundig te bloeien dat bescheidenheid duidelijk niet tot hun karakter behoorde. Ik weet niet meer waarmee ik bezig was. Sommige herinneringen bewaren de kleinste details, andere laten alles verdwijnen zodra één belangrijk moment begint. Ik weet alleen nog dat ik ineens mijn naam hoorde.

“Aurora!”

Ik keek op en zag Yby bij de poort staan, met Asta naast haar. Meteen voelde ik dat dit anders was dan haar eerdere bezoek aan mijn tuin. Er zat iets kwetsbaars in haar gezicht, alsof zij een besluit had genomen dat haar veel moed had gekost en nu moest ontdekken wat er zou gebeuren nadat zij het uitsprak. Haar helderblauwe ogen zochten de mijne en mijn hart begon onmiddellijk zo hard te slaan dat alle medische waardigheid mij tijdelijk verliet.

“Ik ben klaar,” zei ze. Even begreep ik niet waarvoor, maar ik vroeg niets. Toen keek ze mij aan en zei zacht: “Mag ik een tijdje blijven?” Op dat moment leek alles wat vijf seconden daarvoor nog belangrijk was uit de wereld te verdwijnen. Bijna twee maanden had ik niet gevraagd wanneer zij naar mij toe zou komen. Ik had haar niet opgehaald, niet overtuigd en niet verteld dat mijn manier van leven beter voor haar was. Nu stond zij daar omdat zij zélf had besloten dat het zover was.

Mijn ogen vulden zich met tranen. Tijdens haar eerste bezoek aan mijn tuin had ik nog gedaan alsof de rozen plotseling mijn volledige aandacht nodig hadden om mijn emoties een beetje fatsoenlijk te verbergen.

Deze keer hadden de rozen pech. Ze moesten zichzelf maar redden. Ik keek Yby aan en zei: “Natuurlijk. Natuurlijk mag je blijven.” Mijn stem brak een beetje, maar ik maakte daar geen excuses voor.Ik liep naar de poort en alles in mij wilde haar vasthouden. Haar omhelzen, beschermen, zeggen dat zij nooit meer bang hoefde te zijn en dat ik voortaan wel voor de wereld zou zorgen.

Maar inmiddels wist ik dat zulke woorden vooral iets over mijn verlangen zouden zeggen en niet noodzakelijk over wat Yby nodig had. Dus deed ik iets veel moeilijkers: ik opende de poort en liet háár de stap zetten.

Yby liep naar binnen met Asta naast zich. Ik keek naar dat meisje dat ik in die maanden steeds beter had leren kennen: zo opgewekt en soms zo stil, zo kwetsbaar en tegelijkertijd ongelooflijk sterk, een kind dat kon overleven waar veel volwassenen zouden breken en toch nog een vogel hoorde, een kleur zag, een grap maakte en van een gat in een broek een kunstwerk wist te maken.

Op dat moment begreep ik dat haar vertrouwen misschien wel een van de kostbaarste dingen was die iemand mij ooit had gegeven.Ik had lange tijd gedacht dat ik langzaam dichter bij Yby was gekomen. Bij die poort zag ik het anders. Yby bepaalde zelf de afstand, wie er dichterbij mocht komen en wanneer.

Ik had haar wereld niet veroverd; zij had mij er voorzichtig in toegelaten. En die middag zette zij de deur nog een stukje verder open.

Achter mij stond een huis met een bed, een regenboogsprei en een kamer die al weken geduldig op haar wachtte. Voor mij stond Yby met Asta. Ik wist toen nog niet dat mijn zorgvuldig ingerichte zachte bed al snel concurrentie zou krijgen van een appelboom en een volledige sterrenhemel, en dat de appelboom beschamend goede kansen maakte.

Maar voor dat moment deed niets daarvan ertoe.

Yby was er.Uit eigen wil.

En ik mocht blijven staan waar zij mij had toegelaten. Misschien is dat wel hoe onze liefde en vriendschap werkelijk begonnen te groeien: niet doordat één van ons de ander vasthield, maar doordat er tussen ons langzaam een plek ontstond waar niemand meer hoefde weg te rennen.

Aurora✨

--------------------------------------

ENGLISH VERSION

❤️Yby — The Wings No One Could Break✨

From street child to great artist, composer and creator of worlds

A true life story about love, freedom, survival and the untamable power of creation.

PART 3 — CHILD OF THE COSMOS, FOREVER EMBRACED

The word someday stayed with me for a long time after that evening. “Perhaps... someday,” Yby had said when I told her there would always be a place for her in my garden, my home and my heart. By then, I knew enough to leave that one small word alone. With Yby, trust could not be hurried by good intentions, and love even less so by pulling at it. So I did not ask when that someday would be. I left it with her, exactly where it belonged.

Her life outside continued in the meantime. With Asta at her side, Yby moved through streets, along quiet places and towards shelters she had carefully chosen for herself. Some were so well hidden that I would never have found them without her. Slowly, she showed me a few of those places, but never all of them. I actually found that reassuring. A girl who had so often experienced others crossing her boundaries deserved at least a few places on earth where only she knew the way.

During those weeks, I began to understand how much was hidden behind the simple words Yby lived on the streets. Water did not simply appear beside her bed. She filled bottles wherever she could, for example at shops or petrol stations. People sometimes gave her food, newspapers, matches, a lighter or other small things that would barely attract attention in my home but suddenly became valuable outside.

She sometimes washed her clothes in a ditch or a small lake, and whenever she could take a few extra sheets of toilet paper somewhere, she did. As a doctor, I had learned about almost every part of the human body, but strangely enough, toilet paper as a strategic survival supply had received very little attention in my training.

Sometimes I wanted to laugh at her and cry at the same time. Yby could tell me something as though it were the most ordinary thing in the world, while I looked at her and thought: sweetheart, at your age you should not have to know all of this. A fourteen-year-old girl, as far as I was concerned, should be worrying about music, a strange pair of trousers, a crush, an argument with a friend or a haircut she regretted three days later.

Yby thought about water, food, warmth, where she could sleep safely and what she should do when a place did not feel right. I admired what she was capable of, but I could never forget why she had been forced to learn it.

And yet that was not the first thing you noticed when you truly got to know her. What continued to amaze me was how cheerful she often was. After everything she had already endured at such a young age, I might have expected a child who had closed herself off from life. Instead, I would find her somewhere with bright blue eyes, Asta beside her, charcoal on her fingers and a new idea that apparently demanded immediate execution.

She could become happy because of a bird, a beautiful stone, an unusual shape in a tree, a colour in the sky or something ridiculous Asta had done. Sometimes I simply looked at her and thought: how on earth do you do this?

Of course, there were other moments too. Sometimes Yby would suddenly become very quiet, as though a painful memory had unexpectedly risen from the past and sat down beside her. The liveliness would retreat from her face and she might run her fingers through Asta’s rough fur without wanting any words. I did not always know what she saw or felt at such moments, and I quickly learned not to chase after it.

No endless questions, no investigation, no well-intentioned picking at a door she herself had closed. Sometimes I simply remained beside her, and Asta would move a little closer against her. The dog, incidentally, had mastered that method considerably earlier than I had.

What touched me deeply was what so often happened afterwards. Not that her sadness suddenly disappeared, because that is not how human beings work. But somewhere, Yby found another opening towards life. She heard a bird and looked up. She saw something she wanted to draw. She began to hum softly or made a few of those strange little sounds that were so much a part of her.Something returned to her eyes. Not because she had forgotten what hurt, but because pain somehow never managed to claim exclusive ownership of her soul.

I had met many people in my life and, as a doctor, had also seen people in circumstances that stripped away everything superficial. I knew courage, grief, fear and the will to survive. Yet I had never experienced anyone quite like Yby. Perhaps a film came closest: one of those stories in which a child survives one impossible event after another and, as a viewer, you think that no real human being could possibly endure it.

Only this was not a film. There was no director calling “cut” when it became too much, no safe dressing room beyond the frame and no screenwriter arranging for a miracle to arrive at exactly the right moment.

Yby was real. Asta was real. The cold nights were real, the uncertainty was real and the memories that sometimes made her fall silent were real. But her laughter was real too. Her curiosity. Her humour. Her hunger for colour and sound. Her ability, after everything ugly she had known, to recognise beauty immediately. Perhaps she saw beauty so sharply precisely because she already knew its opposite far too well.

Her survival instinct was enormous, but the remarkable thing was that it had not made her hard. Yby felt things intensely. She could be sad, afraid, withdraw into herself or simply want no one near her for a while. Her strength did not lie in nothing being able to touch her; her strength lay in the fact that so much touched her and she still continued to live, create, look and love.

She was fourteen years young and possessed a degree of independence and resourcefulness that many adults are never required to call upon. I would therefore never call her an adult. She was a child, and that right to be a child should not be taken from her as well.

She created everywhere, in between everything else. If there was no canvas, cardboard became a world. If there was no paper, a pavement could be enough. She drew with charcoal wherever she could and used a twig to make lines in the sand. Sometimes it seemed as though the material itself was merely a technical detail to Yby. Something inside her wanted to take form, and if the world failed to provide the proper tools, she simply found something herself.

Even her clothes were not safe from that creative urge. I remember looking at a torn pair of trousers and, in keeping with my rather conventional mind, mainly thinking: there is a hole in those. Yby apparently saw something entirely different.

Instead of hiding the hole as carefully as possible, she might emphasise it, draw a circle around it and cheerfully add an arrow, as though she were saying: for anyone who has not noticed yet, this is where the interesting part is. The first time I saw something like that, I genuinely did not know what I was looking at.

I had to laugh, because to Yby there was nothing strange about it. Where I saw damage, she saw an opportunity to make something uniquely her own. Years later, that personal language of clothing would continue to grow and eventually Yby Couture would emerge, but looking back, I can already recognise its beginnings in moments like these.

Clothing, incidentally, had never been an entirely unfamiliar world during her childhood; from an early age she had worn all kinds of unusual creations made by her mother, for fittings, photographs and later also when she appeared in the media. As a child, Yby often obediently went along with it.

But gradually she began shaping clothing more and more according to her own vision, and that made all the difference.I admired Yby, but perhaps even more often she amazed me. That seemed to be how she worked: something did not have to be whole, new or expensive in order to have value. A hole could become the beginning of a design. Discarded cardboard could become a work of art. A twig could become a drawing instrument. Some people needed perfect circumstances before they could begin creating; Yby seemed simply to tell circumstances to move aside a little.

And then there were the sounds. Yby often hummed, sometimes little melodies and sometimes strange tones of which I could not tell where they began or ended. Her hands could be drawing while her voice wandered along a path of its own. At the time I did not yet know how important music would become in the rest of her life, but I was beginning to see that all those forms of creation had never truly been separate within her. Image, sound, movement, clothing, colour — they were not separate rooms inside Yby. They were one house.

Perhaps that is why, later, I could never quite say that Yby “made art” without feeling that the words were too small. Art was not an activity she began when she picked up a brush and ended when she put it down. It lived in the way she looked, in her voice, her hands, her clothes, her humour and even in the solutions with which she shaped her life outside. Yby did not merely make art. Yby was art. Creation was not decoration around her existence; it was part of her breath.

Meanwhile, our bond grew in a way I could barely see happening. There was no grand moment when Yby announced that from that day onward she trusted me. With her, trust lived in much smaller things. She showed me a place that had previously remained secret. She stayed a little longer. She told me something and did not immediately take it back again afterwards. Sometimes she made a joke that I had come to understand meant I no longer had to sit quite so cautiously at the edge of her world.

And perhaps even more importantly: sometimes she became quiet without leaving. In the beginning, when a memory touched her, I could feel her retreat completely into herself. Slowly, something began to change. She could remain silent while I stayed beside her. She did not have to be cheerful in order to remain welcome with me. She did not have to tell me a story or reassure me. That may sound small, but by then I knew how precious it was.

I too began to read her better. More and more often I knew when I could ask something and when I should not. I recognised certain looks. Unfortunately, Yby recognised mine as well, especially the look with which I believed I was hiding my concern in a highly professional manner. She never fell for it for a second. Sometimes she looked at me with an expression that more or less said: Aurora, please, do behave normally.

I was a doctor, older and, in my own opinion, usually exceptionally reasonable. Yby was fourteen and apparently unimpressed by my résumé. Especially when I could not find her, my reasonableness proved to be a rather fragile construction. Yby was extraordinarily good at remaining unnoticed.

She had not taught herself that for fun; sometimes it was safer when people did not know where she was. For her, it was a survival skill. For my nervous system, it was a considerably less appealing talent. Within a very short time my mind could organise the police, a hospital, the fire brigade and probably an international rescue operation while Yby was sitting somewhere peacefully drawing with Asta.

And then I would finally see her. She would look up as though I were the one who had appeared unexpectedly. At moments like that I wanted simultaneously to hug her, lecture her sternly and sew her to my coat for an entire week. Usually I did none of the three, because during those weeks I was beginning to understand something difficult: my concern was not allowed to become another cage for her. She had already known enough people who believed they had the right to decide what was good for her.

If I truly wanted to be a safe place in her life, I had to learn to be there without possessing her. To help without taking over her life. To keep watch without constantly controlling her. To love without expecting obedience in return. Yby taught me that freedom does not stand in opposition to love. For her, freedom was a condition for being able to trust love at all.

And so the weeks passed. Outside, Yby continued living her life, while something quietly began to change in my home. There was a guest room in my house, and somehow that empty room increasingly made me think of her. I told Yby nothing. I did not want the room to become a question she had to answer. But one day I placed a soft rainbow-coloured bedspread on the bed, arranged some books and collected paper, pencils, paint and all kinds of creative materials.

I pretended to myself that this was an extremely practical household activity. Of course, that was complete nonsense. It was hope with a rainbow bedspread thrown over it. Sometimes I imagined Asta immediately choosing the most inconvenient place in the room to lie down and Yby, within a remarkably short time, managing to get paint onto something I had previously believed it was physically impossible for paint to reach.

That made me laugh. But sometimes, immediately afterwards, I would find myself standing there with tears in my eyes, looking at that empty bed. Not because I wanted Yby to belong to me from then on. Not because I could or wanted to erase her life on the streets with a single room. Only one simple wish had grown inside me: let this child know one place where no one hurts her. A place where food is simply food and not a supply that has to be protected, where water keeps running, where a door is closed only against the draught and never to keep her prisoner.

I wanted it to be a place where Yby was allowed to talk, but also allowed to be silent. Where she was allowed to laugh, but also to become quiet when a memory came too close. Where no one demanded that she be strong simply because she had happened to prove that she could be strong.

Perhaps that was what touched me most deeply during that period: how easily the world admires a child who knows how to save herself, while no one should ever accept the fact that such a child has to save herself.

Almost two months had passed since that first evening in my garden. I never spoke about the room. I did not remind Yby of her “perhaps... someday.”

The room could wait. A room suffered nothing from waiting. Yby had already spent enough of her life living according to the haste, demands and whims of others.

One afternoon I was working in the garden. The bees hummed among the flowers and the roses were blooming so extravagantly that modesty was clearly not part of their character. I no longer remember exactly what I was doing. Some memories preserve the smallest details; others allow everything to disappear the moment one important thing begins. I only remember suddenly hearing my name.

“Aurora!”

I looked up and saw Yby standing at the gate, with Asta beside her. Immediately I felt that this was different from her earlier visit to my garden. There was something vulnerable in her face, as though she had made a decision that had cost her a great deal of courage and now had to discover what would happen once she spoke it aloud. Her bright blue eyes searched for mine, and my heart immediately began beating so hard that all medical dignity temporarily deserted me.

“I’m ready,” she said. For a moment I did not understand what she meant, but I did not ask. Then she looked at me and said softly, “May I stay for a while?” At that moment, everything that had seemed important five seconds earlier appeared to vanish from the world. For almost two months I had not asked when she would come to me. I had not collected her, persuaded her or told her that my way of living was better for her. Now she was standing there because she had decided for herself that the time had come.

My eyes filled with tears. During her first visit to my garden, I had still pretended that the roses suddenly required my complete attention so that I could hide my emotions with some degree of dignity.

This time the roses were out of luck. They would have to look after themselves. I looked at Yby and said, “Of course. Of course you may stay.” My voice broke a little, but I made no apologies for it.I walked towards the gate and everything inside me wanted to hold her. To embrace her, protect her, tell her that she never needed to be afraid again and that from now on I would simply take care of the world for her.

But by then I knew that such words would say more about my longing than about what Yby actually needed. So I did something much more difficult: I opened the gate and allowed her to take the step.

Yby walked inside with Asta beside her. I looked at that girl I had come to know better during those months: so cheerful and sometimes so silent, so vulnerable and at the same time incredibly strong, a child capable of surviving where many adults would break and still able to hear a bird, see a colour, make a joke and turn a hole in a pair of trousers into a work of art.

At that moment I understood that her trust might be one of the most precious things anyone had ever given me.

For a long time, I had thought that I was slowly moving closer to Yby. At that gate, I saw it differently. Yby herself determined the distance, who was allowed to come closer and when.

I had not conquered her world; she had carefully allowed me into it. And that afternoon she opened the door a little wider.

Behind me stood a house with a bed, a rainbow-coloured bedspread and a room that had been patiently waiting for her for weeks. In front of me stood Yby with Asta. I did not yet know that my carefully prepared soft bed would soon face competition from an apple tree and an entire star-filled sky, and that the apple tree stood embarrassingly good odds.

But for that moment, none of it mattered.

Yby was there.Of her own free will.

And I was allowed to remain standing where she had permitted me to be.

Perhaps that is how our love and friendship truly began to grow: not because either of us held on to the other, but because between us a place slowly came into existence where no one had to run away anymore.

Aurora✨