♥️ Yby — De Vleugels die Niemand Kon Breken✨
Van straatkind tot groot kunstenaar, componiste en schepper van werelden
Een waar levensverhaal over liefde, vrijheid, overleven en de ontembare kracht van creatie.
DEEL 2 — BLAUWE OGEN, OUDE ZIEL
Na verloop van tijd begon ik te begrijpen dat iedere volgende stap tussen Yby en mij van háár moest komen. Wat tussen ons groeide, was te kostbaar om eraan te trekken. Toch vertelde ik haar op een dag over mijn tuin. Over de lavendel en de rozen, over de bomen, het gras en de plek waar ik graag met mijn notitieboekje zat.
En heel voorzichtig vroeg ik: “Zou je misschien ooit eens mijn tuin willen zien?” Ik voegde er haast vanzelf aan toe dat het alleen hoefde als zij dat zelf wilde.
Daar liet ik het bij. Ik vroeg het één keer en kwam er daarna niet meer op terug. Ik wilde niet dat mijn uitnodiging een verwachting werd. Yby moest weten dat een nee even veilig was als een ja, en dat ook helemaal geen antwoord geven toegestaan was. Bij haar begon ik te begrijpen dat vrijheid soms juist zit in wat een ander níét van je verlangt.
Het gewone leven tussen ons ging verder. Onze gesprekken, haar tekeningen, Asta, de momenten waarop Yby iets van haar wereld liet zien en daarna weer haar eigen weg ging. Mijn tuin noemde ik niet meer. Soms dacht ik eraan, natuurlijk. Ik zou liegen als ik zei van niet. Maar ik wilde liever wachten op één stap die werkelijk van Yby kwam dan honderd stappen die ik zelf voor haar had bedacht.
Tot er op een avond ineens een beeld voor mij stond dat ik nooit meer zou vergeten: Yby, met Asta naast zich.
Ze was er.
Werkelijk.
Een meisje in een kleurrijke hoofddoek, met haar blonde haar en die ongelofelijk blauwe ogen, en naast haar die grote bouvier die inmiddels net zo onlosmakelijk bij haar hoorde als haar eigen schaduw. Ik voelde mijn keel dichttrekken.
Mijn ogen vulden zich zo snel met tranen dat ik mijn hoofd even afwendde naar de rozen. Die rozen hadden op dat moment geen enkele bijzondere prestatie geleverd, maar ze kwamen uitstekend van pas om mijn waardigheid te redden.
Het was niet zomaar een bezoek. Niet voor mij. Ik wist wat ervoor nodig was geweest voordat Yby zelf besloot naar mijn tuin te gaan. Zij vertrouwde mensen niet omdat ze vriendelijk glimlachten of de juiste woorden gebruikten.
Dat zij daar stond, betekende dat zij zelf een klein stukje van de afstand tussen ons had overbrugd. Ik wilde het liefst naar haar toe lopen en haar omhelzen, maar juist omdat het zoveel voor mij betekende, deed ik dat niet. Ik wilde haar niet gevangen zetten in mijn ontroering.
Dus heette ik haar welkom zonder het moment groter te maken dan zij kon verdragen.
De zon doopte die avond de hemel in warme tinten van oranje en roze. De lange schaduwen trokken langzaam door de tuin en tussen de lavendel en de rozen hing nog de warmte van de dag. Ik zat met mijn notitieboekje tussen de planten en probeerde te schrijven, maar mijn aandacht dwaalde steeds opnieuw af naar Yby.
Ze zat op de grond, Asta aan haar voeten, met een stuk houtskool stevig tussen haar vingers.
Voor haar lag een stuk afgedankt karton. Onder haar hand ontstonden wezens die ik nergens anders ooit had gezien: half mens, half dier, sommige met vleugels, andere met grote ogen en vormen die leken te behoren tot een wereld waarvoor alleen Yby de toegang kende.
Ze tekende niet alsof zij iets probeerde te bedenken. Het leek eerder alsof die figuren allang ergens in haar leefden en eindelijk naar buiten mochten.
Dat oude stuk karton raakte me bijna net zo diep als wat erop verscheen. Waar een ander afval zag, zag Yby ruimte. Een mogelijkheid. Een nieuw begin. Ze had daar geen keurige schildersezel voor nodig, geen atelier en geen toestemming van iemand die zichzelf deskundig vond.
Geef Yby iets waarop een lijn kon worden gezet, en voor je het wist woonde er een heel universum op.
Ik keek naar haar handen en wist opnieuw wat ik bij onze eerste ontmoeting al had gevoeld: kunst was voor Yby niet iets wat later nog moest beginnen. Zij hoefde niet eerst kunstenares te worden. Het zat al in haar. In haar handen, in haar blik, in haar verbeelding, in haar manier van kijken naar alles wat leefde.
Veel later zouden mensen haar de Tovenares van de Schilderkunst noemen. Die avond zat die toekomstige tovenares gewoon op mijn gras met houtskool aan haar vingers, kennelijk zonder zich ervan bewust te zijn dat zij iets buitengewoons deed.
Toen ze opkeek, ving ik haar ogen.
Blauw. Helder. Levendig.
Soms keek een jong meisje mij aan, nieuwsgierig en speels, met iets ondeugends waardoor ik wist dat ik mij maar beter niet al te gewichtig kon gedragen. En dan kon er ineens iets anders door diezelfde ogen trekken. Een stilte. Een diepte. Iets wat veel ouder leek dan de paar jaren die zij nog maar had geleefd.
Blauwe ogen, oude ziel.
Zo is die titel in mijn hart gebleven.
Maar wie alleen die oude ziel zou zien, zou Yby ook missen. Zij kon zich verheugen over de kleinste dingen. Een zonnestraal. Een bloem die open was gegaan. Een vogel die dichtbij genoeg kwam om goed bekeken te worden. De trouwe blik van Asta. Er zat zoveel levenslust in haar dat ik mij soms afvroeg waar zij die in vredesnaam vandaan haalde.
Ik zou pas veel later werkelijk begrijpen wat daaronder lag. Yby weet wat schoonheid is omdat zij de lelijkheid kent. Ze weet wat vrijheid is omdat zij weet wat het betekent wanneer vrijheid je wordt afgenomen.
En ze weet wat liefde is omdat zij in de hel geboren is. Niet omdat ellende noodzakelijk zou zijn om liefde te kennen — daar geloof ik niets van — maar omdat Yby uit alles wat haar leven haar had laten zien messcherp had geleerd wat zij nooit een ander wilde aandoen en wat werkelijk waarde had.
Veel later zou ze het zelf eenvoudiger zeggen dan ik het ooit kon: “Ik weet zo goed wat liefde is, Aurora, omdat ik in de hel geboren ben.”
Die avond kende ik die zin nog niet. Ik zag alleen het bewijs ervan voor mij. Een meisje dat reden genoeg had gehad om zich voor de wereld af te sluiten en dat toch nog steeds een dier kon liefhebben, zich over een bloem kon verwonderen en schoonheid kon scheppen op een stuk karton dat iemand anders had weggegooid.
En ongemerkt deed dat iets met mij.
Ik was in die tijd zelf uitgeput en overspannen geraakt. Als arts had ik jarenlang geleerd om scherp te kijken: naar symptomen, oorzaken, afwijkingen, problemen. Ik kon veel benoemen. Maar Yby liet mij zonder het zelf te weten ontdekken dat iets kunnen benoemen nog niet betekent dat je het werkelijk ziet.
Door haar begon ik mijn eigen tuin terug te krijgen.Ik rook de lavendel weer. Ik hoorde de vogels. Ik keek naar de avondlucht in plaats van alleen vast te stellen dat het bijna donker werd. Yby gaf mij geen wijze lessen en probeerde mij al helemaal niet te behandelen.
Dat zou ook een merkwaardige omkering van onze rollen zijn geweest. Ze leefde gewoon op haar eigen manier, en daardoor begon er in mij iets wakker te worden wat lange tijd heel stil was geweest.
De avond zakte langzaam verder over de tuin. Asta lag rustig bij haar en Yby bleef tekenen. Ik keek naar haar en dacht aan wat er zou gebeuren wanneer zij straks weer vertrok. Op een paar meter afstand stond mijn huis. Er was warmte. Een dak. Een bed. Alles waarvan ik had geleerd dat het veiligheid betekende.
En toch wist ik inmiddels dat veiligheid voor Yby niet zo eenvoudig was.
“Ben je nooit bang, Yby?” vroeg ik.Ze keek op.
“Nee, lieve Aurora,” zei ze met een glimlach. “Hier ben ik vrij.”Die vier woorden gingen dwars door mij heen.
Hier ben ik vrij.
Voor mij was een gesloten deur bescherming. Voor Yby kon vrijheid juist betekenen dat er géén deur tussen haar en de wereld stond. Dat zij zelf kon bepalen wanneer zij bleef, wanneer zij vertrok, waar zij sliep en wie dichtbij mocht komen. De open lucht boven haar, de aarde onder haar voeten en Asta naast haar waren geen romantisch plaatje. Ze betekenden iets wezenlijks.
Ik wilde haar beschermen. Natuurlijk wilde ik dat. Soms wilde ik niets liever dan alle kou, onzekerheid en gevaar uit haar leven halen. Maar ik begon te begrijpen dat ik haar niet kon beschermen door haar vrijheid van haar af te nemen. Dat zou geen liefde zijn geweest. Alleen een netter aangeklede vorm van bepalen.
Dus zei ik wat ik wél kon zeggen.
“Als je ooit een plek nodig hebt om te rusten,” zei ik zacht, “dan is er altijd een plekje in mijn tuin, in mijn huis, in mijn hart.”
Yby keek mij aan.
Een ogenblik bleef het stil.
“Dank je wel, Aurora,” fluisterde ze.Toen aarzelde ze heel even.
“Wellicht... ooit.”
Ooit.
Zo'n klein woord.
Voor een ander misschien nauwelijks iets.Voor mij was het enorm.
Ik vroeg niet wanneer. Ik vroeg niet of zij het beloofde. Ik liet dat ene woord gewoon tussen ons liggen, zonder eraan te trekken. Want inmiddels wist ik dit van Yby: wanneer zij werkelijk een volgende stap zou zetten, moest die stap van haar zijn.
Later die avond vertrok zij weer met Asta.Mijn tuin had haar straatleven niet beëindigd. Mijn uitnodiging had haar niet veranderd in iemand die ineens zonder angst of aarzeling een huis binnenstapte. Dat verhaal lag nog voor ons.
Maar nadat ze weg was, bleef ik een tijdje alleen in de tuin staan.Op het gras lag het karton met haar donkere houtskoollijnen. De geur van lavendel hing nog in de avondlucht. Ik keek naar de plek waar ze had gezeten en de tranen die ik eerder zo zorgvuldig had tegengehouden kwamen alsnog.
Niet omdat ik medelijden met haar had.Omdat ik van haar begon te houden.
Van dat bijzondere meisje met haar blauwe ogen en haar oude ziel. Van haar ontembare behoefte aan vrijheid. Van haar dierenliefde, haar verbeelding, haar kleur, haar vreemde werelden en haar vermogen om leven te zien waar een ander achteloos aan voorbijging.
Ik had haar die eerste nacht in het maanlicht zien schilderen.Nu had zij zelf de weg naar mijn tuin gevonden.Verder hoefde zij die avond niet te gaan.
Dat kwam misschien ooit.
Aurora✨
-------------------------------------
ENGLISH VERSION
♥️Yby — The Wings No One Could Break✨
From street child to great artist, composer and creator of worlds
A true life story about love, freedom, survival and the untamable power of creation.
PART 2 — BLUE EYES, OLD SOUL
As time passed, I began to understand that every next step between Yby and me had to come from her. What was growing between us was too precious to pull at. Still, one day I told her about my garden.
About the lavender and the roses, the trees, the grass and the place where I liked to sit with my notebook. And very carefully I asked, “Would you perhaps like to see my garden one day?” Almost instinctively, I added that she only had to if she truly wanted to.
I left it there. I asked her once and never brought it up again. I did not want my invitation to turn into an expectation. Yby needed to know that a no was just as safe as a yes, and that giving no answer at all was allowed too. With her, I was beginning to understand that sometimes freedom lies precisely in what another person does not ask of you.
Ordinary life between us continued. Our conversations, her drawings, Asta, the moments when Yby allowed me a glimpse into her world and then went her own way again. I did not mention my garden anymore. Of course I thought about it sometimes. I would be lying if I said I didn’t. But I would rather wait for one step that truly came from Yby than take a hundred steps I had invented for her myself.
Until one evening, a sight appeared before me that I would never forget: Yby, with Asta beside her.
There she was.
Really there.
A girl in a colourful headscarf, with her blonde hair and those impossibly blue eyes, and beside her the large Bouvier who by then seemed as inseparable from her as her own shadow. I felt my throat tighten. My eyes filled with tears so quickly that I turned my head towards the roses for a moment.
Those roses had achieved absolutely nothing remarkable that evening, but they proved extremely useful in helping me preserve what little dignity I had left.
It was not simply a visit. Not to me. I knew what it had taken for Yby to decide for herself to come to my garden. She did not trust people because they smiled kindly or knew the right words to say. The fact that she was standing there meant that she herself had crossed a small part of the distance between us.
I wanted nothing more than to walk towards her and hold her, but precisely because the moment meant so much to me, I didn’t. I did not want to trap her inside my emotion.
So I welcomed her without making the moment larger than she could bear.
That evening, the sun dipped the sky in warm shades of orange and pink. Long shadows slowly stretched across the garden, and between the lavender and roses the warmth of the day still lingered. I sat among the plants with my notebook and tried to write, but my attention kept drifting back to Yby. She was sitting on the ground, Asta at her feet, a piece of charcoal held firmly between her fingers.
In front of her lay a discarded piece of cardboard. Beneath her hand appeared creatures I had never seen anywhere else: half human, half animal, some with wings, others with enormous eyes and shapes that seemed to belong to a world only Yby knew how to enter.
She did not draw as though she were trying to invent something. It seemed more as if those figures had been living inside her all along and were finally being allowed to come out.
That old piece of cardboard touched me almost as deeply as what appeared upon it. Where someone else saw rubbish, Yby saw space. A possibility. A new beginning. She needed no proper easel, no studio and certainly no permission from anyone who considered themselves an expert.
Give Yby something on which a line could be drawn and, before you knew it, an entire universe had moved in.
I looked at her hands and knew again what I had already felt during our first encounter: art was not something that still had to begin for Yby. She did not first have to become an artist. It was already inside her. In her hands, in her eyes, in her imagination, in the way she looked at everything that lived. Much later, people would call her the Sorceress of Painting.
That evening, the future sorceress was simply sitting on my grass with charcoal on her fingers, apparently unaware that she was doing anything extraordinary.
When she looked up, our eyes met.
Blue. Clear. Alive.
Sometimes it was a young girl looking back at me, curious and playful, with just enough mischief in her eyes to remind me not to take myself too seriously. And then, suddenly, something else could move through those same eyes. A silence. A depth. Something that seemed far older than the few years she had lived.
Blue eyes, old soul.
That is how the title remained in my heart.
But anyone who saw only that old soul would miss Yby too. She could delight in the smallest things. A ray of sunlight. A flower that had opened. A bird that came close enough to be properly studied. Asta’s faithful gaze. There was so much life in her that sometimes I wondered where on earth she managed to find it.
Only much later would I truly understand what lay beneath it. Yby knows what beauty is because she knows ugliness. She knows what freedom is because she knows what it means to have freedom taken away.
And she knows what love is because she was born in hell. Not because suffering is necessary in order to understand love — I do not believe that for a moment — but because everything life had shown her had taught Yby, with painful clarity, what she never wanted to do to another living being and what truly mattered.
Much later she would put it more simply than I ever could: “I know so well what love is, Aurora, because I was born in hell.”
I did not know those words yet that evening. I could only see the proof of them in front of me. A girl who had every reason to close herself off from the world and who could still love an animal, marvel at a flower and create beauty on a piece of cardboard someone else had thrown away.
And without realising it, she was changing something in me.At that time, I myself had become exhausted and overwhelmed. As a doctor, I had spent years learning to look carefully: at symptoms, causes, abnormalities, problems. I could name many things. But without knowing it, Yby showed me that being able to name something is not the same as truly seeing it.
Through her, I began to get my own garden back.I smelled the lavender again. I heard the birds. I looked at the evening sky instead of merely noticing that it was getting dark. Yby gave me no wise lessons and certainly made no attempt to treat me.
That would have been a rather peculiar reversal of our roles. She simply lived in her own way, and because of that, something inside me that had been quiet for a very long time began to wake again.The evening slowly settled over the garden.
Asta lay peacefully beside her and Yby continued drawing. I watched her and thought about what would happen when she left again later. My house stood only a few metres away. There was warmth. A roof. A bed. Everything I had been taught to associate with safety.
And yet by then I knew that safety was not so simple for Yby.
“Are you never afraid, Yby?” I asked.She looked up.“No, dear Aurora,” she said with a smile. “Here I am free.”
Those four words went straight through me.
Here I am free.
To me, a closed door had always meant protection. To Yby, freedom could mean that there was no door between her and the world at all. That she herself could decide when she stayed, when she left, where she slept and who was allowed to come close. The open sky above her, the earth beneath her feet and Asta beside her were not some romantic picture.
They meant something essential.
I wanted to protect her. Of course I did. Sometimes I wanted nothing more than to take all the cold, uncertainty and danger out of her life. But I was beginning to understand that I could not protect her by taking her freedom away. That would not have been love. It would merely have been control dressed in better clothes.So I said what I could say.
“If you ever need a place to rest,” I said softly, “there will always be a place for you in my garden, in my home, in my heart.”
Yby looked at me.
For a moment, there was silence.
“Thank you, Aurora,” she whispered.
Then she hesitated for just a moment.
“Perhaps... one day.”
One day.
Such a small phrase.
To someone else, perhaps almost nothing.To me, it was enormous.
I did not ask when. I did not ask her to promise. I simply allowed those words to remain between us without pulling at them. Because by then I knew this about Yby: whenever she truly took another step, that step had to be hers.
Later that evening, she left again with Asta.My garden had not ended her life on the streets. My invitation had not transformed her into someone who would suddenly walk into a house without fear or hesitation. That story still lay ahead of us.
But after she had gone, I remained standing alone in the garden for a while.
On the grass lay the cardboard with her dark charcoal lines. The scent of lavender still hung in the evening air. I looked at the place where she had been sitting, and the tears I had held back so carefully earlier finally came.
Not because I pitied her.Because I was beginning to love her.
That extraordinary girl with her blue eyes and her old soul. Her untamable need for freedom. Her love of animals, her imagination, her colour, her strange worlds and her ability to see life where someone else might pass by without noticing.
I had seen her painting in the moonlight that first night.Now she had found her own way to my garden.She did not need to go any further that evening.
Perhaps that would come one day.
Aurora✨